College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-01-2016, ECLI:NL:CBB:2016:6, 14/710
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-01-2016, ECLI:NL:CBB:2016:6, 14/710
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 januari 2016
- Datum publicatie
- 26 januari 2016
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:6
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8049, Overig
- Zaaknummer
- 14/710
Inhoudsindicatie
Etherpiraten. Boete. Functioneel dader. Boetehoogte. Radiozendapparaat.
Volgens de eigen vaste gedragslijn van de minister geldt voor de klassieke etherpiraat die uitzendt vanaf een vaste locatie een basisboete van € 2.500. Het College is van oordeel dat van deze basisboete in het algemeen en blijkbaar ook naar de eigen inzichten van de minister een voldoende afschrikwekkende werking uitgaat naar een functionele dader in de ten opzichte van de etherpiraten beperkte rol als die van appellant. In het geval van appellant is geprobeerd het uitzenden te verhullen, waarmee geprobeerd is de pakkans te verkleinen, zodat zich een strafverzwarende omstandigheid voordoet wegens het onttrekken aan het toezicht. Het opleggen van een hogere boete van € 5.000 is zodoende passend en geboden. De verdere verhoging van de boete betreft een factor die appellant als functioneel dader niet kan worden toegerekend en kan derhalve niet in stand blijven. Het College zal zelf de door appellant verschuldigde boete vaststellen op een bedrag van € 5.000.
Art. 10,9 Telecommunicatiewet (Tw)
Art 1,1 kk Tw en art 10.8 Tw.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 14/710
15354
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2014, kenmerk ROT 13/3028, in het geding tussen
appellant
ende minister van Economische Zaken (de minister),
(gemachtigden: mr. R.A. Huiskens en mr. J.I.M. van der Vange).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 3 oktober 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:8049).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , toezichthouders bij het Agentschap Telecom. Het College heeft het onderzoek heropend, de zaak naar de meervoudige kamer verwezen en voorts iedere beslissing aangehouden.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door mr. drs. R.A. Diekema, werkzaam bij verweerder.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
De minister heeft aan appellant een bestuurlijke boete van € 12.475,- en een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10, negende lid, van de Telecommunicatiewet (Tw).
De minister heeft het besluit gebaseerd op onderzoek van toezichthouders van Agentschap Telecom, waaruit hem is gebleken dat op 4 juli 2012 met een mobiele antenne-installatie op het grasperceel [adres 1] een radio-uitzending in de FM-omroepband is uitgezonden, dat aan deze antenne-installatie een Low Nois Blockconverter (LNB, ontvangstkop) gemonteerd was, dat de LNB met een coaxiale kabel verbonden was met een container waarin vermoedelijk de FM-omroepzender was geplaatst die via de LNB werd aangestuurd. Uit het onderzoek is de minister voorts gebleken dat de naar de LNB uitgezonden radiocommunicatiesignalen op een frequentie van 11.14 GHz werden uitgestraald vanaf een aanstuurzender die was gemonteerd aan een schuur achter de woning op het perceel [adres 2] in [plaats 1] en dat de eigenaar van dit perceel, [naam 5] , op 4 juli 2012 heeft verklaard dat de aanstuurzender was verbonden met het internet in zijn woning en dat de radio-uitzending vanaf een ander perceel plaatsvond. Verder is de minister uit het onderzoek gebleken dat een groep jongeren onder de naam ‘ [naam 6] ’ de uitzending verzorgden vanuit een schuur bij de boerderij van appellant aan de [adres 3] in [plaats 1] , waarin een studio met aangesloten apparatuur is aangetroffen, en dat appellant niet beschikt over een frequentievergunning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de gebruikte constructie waarbij ten behoeve van een radio-uitzending een computer in de schuur op het perceel van appellant via het internet een zender op een ander perceel aanstuurt aangemerkt als een radiozendapparaat als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder kk, van de Tw, appellant als functioneel dader aangemerkt en de opgelegde boete en last onder dwangsom in stand gelaten.