College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-01-2016, ECLI:NL:CBB:2016:7, 15/22
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-01-2016, ECLI:NL:CBB:2016:7, 15/22
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 januari 2016
- Datum publicatie
- 26 januari 2016
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:7
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9911, Overig
- Zaaknummer
- 15/22
Inhoudsindicatie
Art. 10,9 Telecommunicatiewet (Tw)
Etherpiraten. Boete. Functioneel dader. Boetehoogte.
Volgens de eigen vaste gedragslijn van de minister geldt voor de klassieke etherpiraat die uitzendt vanaf een vaste locatie een basisboete van € 2.500. Het College is van oordeel dat van deze basisboete in het algemeen en blijkbaar ook naar de eigen inzichten van de minister een voldoende afschrikwekkende werking uitgaat naar een functionele dader in de ten opzichte van de etherpiraten beperkte rol als die van appellant. In het geval van appellant is geprobeerd het uitzenden te verhullen, waarmee geprobeerd is de pakkans te verkleinen, zodat zich een strafverzwarende omstandigheid voordoet wegens het onttrekken aan het toezicht. Het opleggen van een hogere boete van € 5.000 is zodoende passend en geboden. De verdere verhoging van de boete betreft een factor die appellant als functioneel dader niet kan worden toegerekend en kan derhalve niet in stand blijven. Het College zal zelf de door appellant verschuldigde boete vaststellen op een bedrag van € 5.000.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/22
15354
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2016 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2014,
kenmerk ROT 14/2410, in het geding tussen
appellant
ende minister van Economische Zaken (de minister),
(gemachtigden: mr. F. de Jong en mr. J.I.M. van der Vange).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 11 december 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:9911).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het College heeft het onderzoek heropend, de zaak naar de meervoudige kamer verwezen en voorts iedere beslissing aangehouden.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
De minister heeft aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 7.500,- en een last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 10, negende lid, van de Telecommunicatiewet (Tw), op grond waarvan het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten slechts is toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.
De minister heeft het besluit gebaseerd op onderzoek van toezichthouders van Agentschap Telecom, waaruit hem is gebleken dat op 27 augustus 2013 een radio-uitzending in de FM-omroepband is uitgezonden met gebruikmaking van een verrijdbare antenne-installatie op het perceel [adres 1] te [plaats] , met behulp van zendapparatuur die door middel van onder bladeren weggewerkte kabels verbonden was met audioapparatuur die stond opgesteld in een schuur op het naastgelegen perceel [adres 2] , dat de aangetroffen apparatuur eigendom is van de zoon van appellant, dat het perceel [adres 2] eigendom is van appellant en dat appellant niet beschikt over een frequentievergunning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellant als functioneel dader aangemerkt, omdat hij er genoegzaam mee bekend was dat zijn zoon en diens vrienden regelmatig illegale uitzendingen verzorgden en hij naar aanleiding van de brief van 17 november 2010, waarmee appellant naar aanleiding van een eerdere overtreding is gewaarschuwd dat bij herhaling handhavend zou worden opgetreden, actief toezicht had moeten houden op de activiteiten van de jongeren. Appellant heeft de ontvangst van deze brief erkend.
De rechtbank acht de ontkenning door appellant van de ontvangst van een waarschuwingsbrief van 15 mei 2012 niet geloofwaardig. Mr. F. de Jong, die als voorzitter van de hoorcommissie optrad, heeft ter zitting verklaard dat appellant, nadat hem daar op de hoorzitting expliciet naar was gevraagd, bevestigd heeft deze voorlichtings- en waarschuwingsbrieven te hebben ontvangen. De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van deze verklaring, omdat appellant in zijn schriftelijke zienswijze heeft aangegeven in de loop der jaren meerdere waarschuwingsbrieven te hebben ontvangen en ter zitting niet kon aangeven welke andere brief hij daarmee heeft bedoeld als dat niet de brief van 15 mei 2012 is geweest. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant de ontvangst van de waarschuwingsbrief van 15 mei 2012 aanvankelijk heeft erkend, maar daar op 12 maart 2014 is teruggekomen, net nadat op 10 maart 2014 op rechtspraak.nl (ECLI:NL:ROT:2014:1632) een uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2014 was gepubliceerd, waarin is geoordeeld dat geen boete kon worden opgelegd, omdat niet kon worden nagegaan dat de 1805 waarschuwingsbrieven daadwerkelijk op 15 mei 2012 aan betrokkenen waren verzonden. De rechtbank heeft de opgelegde boete en last onder dwangsom in stand gelaten.