College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-01-2016, ECLI:NL:CBB:2016:8, 15/98
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-01-2016, ECLI:NL:CBB:2016:8, 15/98
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 januari 2016
- Datum publicatie
- 26 januari 2016
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:8
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:10091, Overig
- Zaaknummer
- 15/98
Inhoudsindicatie
Art. 10,9 Telecommunicatiewet (Tw)
Etherpiraten. Boete. Functioneel dader. Boetehoogte.
Volgens de eigen vaste gedragslijn van de minister geldt voor de klassieke etherpiraat die uitzendt vanaf een vaste locatie een basisboete van € 2.500. Het College is van oordeel dat van deze basisboete in het algemeen en blijkbaar ook naar de eigen inzichten van de minister een voldoende afschrikwekkende werking uitgaat naar een functionele dader in de ten opzichte van de etherpiraten beperkte rol als die van appellant. In het geval van appellant is geprobeerd het uitzenden te verhullen, waarmee geprobeerd is de pakkans te verkleinen, zodat zich een strafverzwarende omstandigheid voordoet wegens het onttrekken aan het toezicht. Het opleggen van een hogere boete van € 5.000 is zodoende passend en geboden. De verdere verhoging van de boete betreft een factor die appellant als functioneel dader niet kan worden toegerekend en kan derhalve niet in stand blijven. Het College zal zelf de door appellant verschuldigde boete vaststellen op een bedrag van € 5.000.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/98
15354
(gemachtigde mr. J.G.J. van den Bergh)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2014,
kenmerk ROT 14/3265, in het geding tussen
appellant
ende minister van Economische Zaken (de minister),
(gemachtigden: mr. F. de Jong en mr. J.I.M. van der Vange).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 18 december 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:10091).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn zoon [naam 2] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
De minister heeft aan appellant een bestuurlijke boete van € 14.022,- en een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10, negende lid, van de Telecommunicatiewet (Tw), op grond waarvan het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten slechts is toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.
De minister heeft het besluit gebaseerd op onderzoek van toezichthouders van Agentschap Telecom, waaruit hem is gebleken dat op 17 november 2013 vanaf een antenne-installatie op het perceel [adres] in [plaats] , een radio-uitzending in de FM-omroepband is uitgezonden, dat dit perceel in eigendom is van appellant en dat appellant niet beschikt over een frequentievergunning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, overwogen dat er onvoldoende bewijs is dat appellant wist dat de op zijn perceel geplaatste antenne-installatie gebruikt zou worden voor een illegale uitzending, maar dat dit appellant niet kan baten. Omdat hij toestemming heeft gegeven voor de aanwezigheid van de antenne-installatie op zijn perceel, mocht van hem verwacht worden dat hij de geconstateerde overtreding zou hebben voorkomen. Appellant had dit in zijn macht, maar heeft nagelaten om toezicht te houden, zodat hij is aan te merken als functioneel dader. Ten aanzien van de hoogte van de opgelegde boete overweegt de rechtbank dat de kennelijk vaste gedragslijn die de minister volgt niet onredelijk is en dat de boete overeenkomstig deze gedragslijn is vastgesteld. Verder overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van appellant dat hem geen verwijt treft, dat de minister terecht heeft opgemerkt dat appellant als eigenaar van het perceel verantwoordelijk is voor en toezicht had moeten houden op wat er op zijn perceel gebeurde. De rechtbank heeft de opgelegde boete en last onder dwangsom in stand gelaten.