Home

Centrale Raad van Beroep, 19-12-1995, ZB5617, 95/1449 ABW

Centrale Raad van Beroep, 19-12-1995, ZB5617, 95/1449 ABW

Gegevens

Inhoudsindicatie

Een inhouding ter aflossing van een schuld moet iedere maand waarin deze wordt toegepast worden aangemerkt als het verrichten of nalaten van een handeling als bedoeld in art. 34 (nieuw) ABW. Hieraan doet niet af, dat t.a.v. eerdere inhoudingen inmiddels rechtens onaantastbare beslissingen zijn genomen. Ingevolge art. 62 (oud) ABW geschiedt verhaal in rechte van kosten van bijstand uit krachte van een rechterlijke beschikking (van de kantonrechter). Dit laat blijkens de wetsgeschiedenis onverlet de mogelijkheid ter zake een minnelijke regeling te treffen. In een situatie als de onderhavige, waarbij sprake is van een rechterlijke beschikking, is inhouding ter aflossing van de uit genoemde beschikking opeisbare schuld geoorloofd binnen de grenzen als bedoeld in art. 475 d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, mits voorafgaande aan de eerste keer daarover schriftelijk aan betr. mededeling is gedaan. In 95/6070 RWW, dd 25-6-1996 is herhaald inhouding ter aflossing van een bestaande schuld mogelijk is indien ter zake van de terugbetaling met de bijstandsontvanger een minnelijke schikking is getroffen (verwezen ook nog naar een uitspraak van de ABRS 26-7-1994, nr G04.93.0316).

Uitspraak

95/1449 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A., wonende te B.], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op 23 maart 1994 een bezwaarschrift ingediend tegen de

inhouding op zijn uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze

werknemers (RWW) van een bedrag ter hoogte van f 105,-- per maand, welk

bezwaar door gedaagde bij zijn besluit van 18 april 1994 (kennelijk)

niet-ontvankelijk is verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij de aangevallen uitspraak d.d.

10 april 1995 het door appellant tegen het besluit van 18 april 1994

ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op in het beroepschrift aangevoerde gronden is door appellant tegen

bovenvermelde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 november 1995 waar appellant in

persoon is verschenen.

Gedaagde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Bij beschikking van 27 mei 1988 heeft de kantonrechter te Zwolle de vordering

van de gemeente Kampen strekkende tot verhaal van verleende kosten van

bijstand op gedaagde en zijn echtgenote, C., toegewezen en bepaald dat ter

zake van deze kosten terstond een bedrag van f 121.204,54 - vermeerderd met

wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 1988 tot de dag ter

voldoening - ten laste van gedaagde en zijn echtgenote kan worden ingevorderd.

De kantonrechter heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De rechtbank te Zwolle heeft bij haar beschikking van 12 september 1988 de

beschikking van de kantonrechter bevestigd.

Bij schrijven van 19 mei 1993 is namens gedaagde aan appellant medegedeeld

dat hij het saldo van de vordering van de gemeente ter hoogte van f 29.566,21

alsmede de door hem verschuldigde wettelijke rente aan de gemeente dient

terug te betalen. Voorts is appellant in dit schrijven medegedeeld dat op

zijn RWW-uitkering met ingang van 1 juni 1993 ter aflossing van de vordering

een bedrag ad. f 105,- per maand wordt ingehouden.

Een door appellant op 8 juni 1993 tegen evengenoemde beslissing tot inhouding

d.d. 19 mei 1993 ingediend bezwaarschrift is door gedaagde ongegrond

verklaard bij beschikking op bezwaarschrift van 13 december 1993, tegen welk

besluit geen rechtsmiddel is aangewend.

Appellant heeft op 23 maart 1994 opnieuw een bezwaarschrift ingediend tegen

de inhouding van het bedrag ad. f 105,-- per maand. Hij verzoekt deze

inhouding te staken aangezien de verhaalstermijn van 5 jaar is verstreken.

Het bezwaar is (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard bij het bestreden

besluit van gedaagde van 18 april 1994 onder de overweging dat appellant van

de mogelijkheid bezwaren in te dienen tegen het besluit van 19 mei 1993 reeds

gebruik heeft gemaakt door middel van de indiening van een bezwaarschrift

d.d. 8 juni 1993.

Het bij schrijven van 25 april 1994 door appellant tegen het bestreden besluit ingediend

beroep bij de rechtbank te Zwolle is ongegrond verklaard bij de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft hierbij onder meer het volgende overwogen:

"Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser

bij besluit dd 19 mei 1993 is meegedeeld dat vanaf 1 juni 1993

f 105,-- per maand op zijn bijstandsuitkering wordt ingehouden

ter aflossing van de fraudevordering. Een dergelijke inhouding

betreft een uitvoeringshandeling ten vervolge op de eerder

verzonden toekenningsbeschikking.

Eiser heeft voor de indiening van het aan het onderhavige

beroepschrift ten grondslag liggende bezwaarschrift dd 23 maart

1994 reeds dd 8 juni 1993 (en indirect dd 12 augustus 1993 en

dd 22 januari 1994) bezwaarschriften ingediend met betrekking

tot voornoemde inhouding op zijn uitkering.

In alle gevallen zijn de bezwaren ongegrond, dan wel

niet-ontvankelijk verklaard en is vervolgens geen beroepschrift

ingediend, zodat de betreffende besluiten in kracht van

gewijsde zijn gegaan.

Bij brief dd 23 maart 1994 heeft eiser opnieuw bezwaar gemaakt

tegen verweerders besluit van 19 mei 1993. Nu dat besluit in

kracht van gewijsde is gegaan, heeft verweerder terecht eisers

bezwaar niet ontvankelijk verklaard bij het thans bestreden

besluit. Aangezien eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden

naar voren heeft gebracht, die niet reeds eerder bij eiser

bekend waren of hadden kunnen zijn, heeft verweerder eisers

brief overigens terecht ook niet opgevat als een verzoek om

terug te komen op het besluit van 19 mei 1993. Er moet dan ook

geconcludeerd worden tot ongegrondverklaring van eisers beroep.".

De Raad overweegt dienaangaande het volgende:

Ingevolge het bepaalde in artikel 34 (nieuw) van de Algemene Bijstandswet

(ABW) wordt voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene

wet bestuursrecht (Awb) met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een

handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening van

bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.

Appellant ontvangt, al dan niet met enkele onderbrekingen, sedert 24 augustus

1983 een periodieke uitkering krachtens de RWW, naar de voor hem geldende norm.

Vanaf 1 juni 1993 wordt op de uitkering van appellant een inhouding ter

hoogte van f 105,-- per maand toegepast ter aflossing van zijn schuld aan de gemeente.

De Raad merkt allereerst op, dat een inhouding als de onderhavige iedere

maand waarin deze wordt toegepast moet worden aangemerkt als het verrichten

of nalaten van een handeling als bedoeld in artikel 34 (nieuw) van de ABW.

De Raad verstaat het door appellant ingediende bezwaar d.d. 23 maart 1994

- gelet op bewoordingen en strekking daarvan - aldus, dat daarin wordt beoogd

aan te geven, dat de inhouding op zijn uitkering zo spoedig mogelijk,

derhalve reeds in de maand maart 1994 dient te worden gestaakt in verband met

het feit dat de verhaalstermijn van 5 jaar zou zijn verstreken.

Aangezien appellant zijn bezwaren ten aanzien van de uitbetaling over de

maand maart 1994 binnen de krachtens artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn

van 6 weken heeft ingediend, en ook overigens niet is gebleken dat het

bezwaarschrift niet-ontvankelijk zou zijn heeft gedaagde appellant gelet op

het vorenstaande ten onrechte niet in zijn bezwaren ontvangen.

Hieraan doet niet af, dat ten aanzien van eerdere inhoudingen inmiddels in

rechte onaantastbare beslissingen zijn genomen.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort, dat de aangevallen uitspraak niet

in stand kan blijven.

De Raad staat thans ter beantwoording van de vraag of de in geding zijnde

inhouding op goede gronden is toegepast en beantwoordt deze vraag bevestigend.

Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 62 van de ABW, zoals deze luidde tot de

inwerkingtreding per 1 augustus 1992 van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992,

nr. 193, geschiedt verhaal in rechte van kosten van bijstand uit krachte van

een rechterlijke beschikking (van de kantonrechter).

Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 62 van de ABW laat dit onverlet de

mogelijkheid om ter zake met de bijstandsontvanger een minnelijke regeling te treffen.

In de onderhavige situatie is geen minnelijke regeling tot terugbetaling van

teveel ontvangen bijstand getroffen.

Wel heeft de kantonrechter te Zwolle bij beschikking van 27 mei 1988 een

vordering van gedaagde strekkende tot verhaal van verleende kosten van

bijstand op gedaagde en zijn echtgenote toegewezen en bepaald dat ter zake

van deze kosten terstond een bedrag van f 121.204,54 - vermeerderd met

wettelijke rente over dit bedrag - kan worden ingevorderd.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bevestigd door de

Arrondissementsrechtbank te Zwolle bij beschikking van 12 september 1988.

De Raad is van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarbij sprake

is van een rechterlijke beschikking als bedoeld in artikel 62 (oud) van de

ABW, inhouding ter aflossing van de uit genoemde beschikking voortvloeiende

opeisbare schuld geoorloofd is binnen de grenzen als bedoeld in artikel 475 d

van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ook wanneer de betrokkene

voor deze inhouding geen toestemming verleent mits, zoals in casu is

geschied, voorafgaande aan de eerste keer dat deze inhouding plaatsvindt

daarover schriftelijk aan betrokkene mededeling is gedaan.

De Raad merkt hierbij op, dat de grief van appellant dat na 5 jaar geen

inhoudingen op de uitkering kunnen plaatsvinden geen doel treft, aangezien

een dergelijke termijn niet van toepassing is bij de uitvoering van een

rechterlijke beschikking als bedoeld in artikel 62 (oud) van de ABW.

De Raad voegt daaraan toe, dat het gegeven dat invordering terstond mogelijk

was, er niet aan in de weg staat, dat gedaagde een lager maandelijks

aflossingsbedrag binnen de grenzen als bedoeld in artikel 475 d van het

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft kunnen vaststellen.

Naar aanleiding van hetgeen appellant hieromtrent in beroep heeft aangevoerd

overweegt de Raad voorts dat niet is gebleken dat de inhouding onbevoegd

heeft plaatsgevonden.

Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde op de uitkering van appellant over

de maand maart 1994 op juiste gronden en zonder in strijd te komen met enig

algemeen beginsel van behoorlijk bestuur een inhouding ter hoogte van

f 105,-- kunnen toepassen.

Gelet op artikel 8:74 van de Awb tenslotte dient aan appellant het door hem

in eerste aanleg betaalde griffierecht ad. f 50,-- en het in hoger beroep

gestorte griffierecht ad. f 150,-- te worden vergoed.

Gedaagde dient zowel in beroep als in hoger beroep in de proceskosten te

worden veroordeeld. Deze kosten zijn begroot op f 710,-- als kosten van

verleende rechtsbijstand in eerste aanleg.

De Raad is niet gebleken van andere op de voet van artikel 8:75 van de Awb in

aanmerking te nemen kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van gedaagde

van 18 april 1994 alsnog gegrond en vernietigt deze beslissing;

Verklaart het bezwaar van appellant d.d. 23 maart 1994 tegen de inhouding op

zijn uitkering van een bedrag ad. f 105,-- over de maand maart 1994 alsnog

ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f

710,--, te betalen door de gemeente Kampen aan de griffier van de Raad;

Gelast de gemeente Kampen aan appellant het door hem betaalde griffierecht

ad. f 200,-- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en

mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als

griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 1995 door voornoemde voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I. de Hartog. (get.) D. Nebbeling.

TM

111