Home

Centrale Raad van Beroep, 23-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1, 21/3756 WIA

Centrale Raad van Beroep, 23-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1, 21/3756 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23 januari 2025
Datum publicatie
23 januari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1
Zaaknummer
21/3756 WIA

Inhoudsindicatie

Conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock over het verhalen van kosten door het UWV op een garantsteller in het geval dat een werkgever-eigenrisicodrager failliet is verklaard. De raadsheer advocaat-generaal stelt voorop dat voor verhaal op de garantsteller niet is vereist dat de eigenrisicodrager failliet is verklaard. Voldoende is dat de eigenrisicodrager zijn verplichtingen jegens het UWV niet, niet tijdig of niet volledig nakomt. Het UWV kan zich direct tot de garantsteller wenden en hoeft niet eerst de faillissementsboedel aan te spreken. Ook hoeft het UWV niet eerst onderzoek te doen naar een eventuele overgang van de onderneming van de eigenrisicodrager, waardoor de betalingsverplichting van de eigenrisicodrager mogelijk is overgegaan naar een andere partij. Het UWV mag afgaan op de bij hem bekende gegevens uit de polisadministratie. Als het risico van de eigenrisicodrager naar een andere partij is overgegaan (bijvoorbeeld door overgang van onderneming), blijft de oorspronkelijke garantsteller aansprakelijk als deze andere partij zijn verplichtingen jegens het UWV niet, niet tijdig of niet volledig nakomt. Dat geldt zowel wanneer het risico is overgegaan vóór faillissement als wanneer dat is gebeurd na het faillissement van de eigenrisicodrager. Wanneer het UWV een verhaalsbesluit neemt jegens de garantsteller, kan de garantsteller in de bezwaar- en beroepsfase aanvoeren dat het besluit waarin de uitkering aan de eigenrisicodrager is toegerekend (i) evident onjuist is, of (ii) onjuist is omdat zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Het UWV hoeft dus niet steeds uit te gaan van de rechtsgeldigheid van het toerekeningsbesluit, ook al is dat onherroepelijk geworden.

Conclusie

Raadsheer advocaat-generaal

Centrale Raad van Beroep

Conclusie

23 januari 2025

R.H. de Bock

In de zaken (21/3756 en 21/3757):

ASR Schadeverzekering N.V.

gemachtigden: mr. J.A. Houben en mr. J.J. Zevenbergen

tegen

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

gemachtigden: mr. K. van Someren en mr. E.M.C. Beijen


1 Inleiding en samenvatting

TSN Thuiszorg en TSN Groningen Holding waren eigenrisicodragers voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hun werknemers ontvingen (WGA-uitkeringen). Zowel TSN Thuiszorg als TSN Groningen Holding zijn in staat van faillissement verklaard. De vragen in deze zaak komen er in de kern op neer of het UWV de door haar betaalde WGA-uitkeringen aan (ex-)werknemers van de TSN-vennootschappen kan verhalen op de garantsteller van deze vennootschappen (ASR). De Centrale Raad van Beroep heeft hierover zes vragen gesteld. Samengevat laten de vragen laten zich als volgt beantwoorden.

(1) Voor verhaal op de garantsteller is niet vereist dat de eigenrisicodrager in staat van faillissement verklaard is. Voldoende is dat de eigenrisicodrager zijn verplichtingen jegens het UWV niet, niet tijdig of niet volledig nakomt.

(2) Bij faillissement van de eigenrisicodrager kan het UWV direct een verhaalsbesluit jegens de garantsteller nemen. Het UWV is niet verplicht om eerst de faillissementsboedel aan te spreken.

(3) Alvorens een verhaalsbesluit te nemen, hoeft het UWV niet eerst onderzoek te doen naar een eventuele overgang van onderneming van de eigenrisicodrager. Het UWV mag afgaan op de bij hem bekende gegevens uit de polisadministratie.

(4) Bij overgang van het risico van de eigenrisicodrager naar een derde (bijvoorbeeld door overgang van onderneming), blijft de garantsteller aansprakelijk jegens het UWV als de derde zijn verplichtingen jegens het UWV niet, niet tijdig of niet volledig nakomt.

(5) Dat geldt zowel wanneer het risico is overgegaan vóór faillissement als wanneer dat is gebeurd na het faillissement van de eigenrisicodrager.

(6) De garantsteller kan tegen het verhaalsbesluit van het UWV argumenten aanvoeren die tot strekking hebben dat het eerder jegens de eigenrisicodrager genomen toerekeningsbesluit (i) evident onjuist is, of (ii) onjuist is omdat zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan.

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Inleiding en samenvatting

Hoofdstuk 2: Feiten

Hoofdstuk 3: Procesverloop

Hoofdstuk 4: De ontwikkeling van het eigenrisicodragerschap in de socialeverzekeringswetten

Hoofdstuk 5: De inhoud en strekking van de garantieverklaring

Hoofdstuk 6: De reikwijdte van de garantieverklaring

Hoofdstuk 7: De werking van de garantie bij faillissement

Hoofdstuk 8: De werking van de garantie na faillissement en overgang van onderneming

Hoofdstuk 9: De onderzoeksplicht van het UWV bij verhaal op de garantsteller

Hoofdstuk 10: De gronden die de garantsteller kan aanvoeren tegen het verhaalsbesluit

Hoofdstuk 11: Beantwoording van de vragen

2 Feiten

2.1

Thuiszorgorganisaties TSN Thuiszorg B.V. en TSN Groningen Holding B.V. waren vanaf 1 januari 2012, respectievelijk 1 januari 2013, eigenrisicodragers voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hun werknemers ontvingen. Het ging hier om zogenoemde WGA-uitkeringen (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten, gebaseerd op de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet WIA).

2.2

ASR Schadeverzekeringen N.V. (voorheen Loyalis Schade N.V., hierna ook kortweg ASR of de garantsteller) heeft zich jegens UWV garant gesteld voor de betaling van die uitkeringen. De garantieverklaringen vermelden, voor zover hier relevant, het volgende:1

“De verzekeraar2 verklaart:

- dat hij bereid is zekerheid te stellen voor de verplichtingen van de werkgever

- dat hij een erkende verzekeraar is in de zin van artikel 40, lid 5 of 6 Wfsv

- dat hij, met inachtneming van artikel 40, lid 7 Wfsv, de verplichtingen van de werkgever jegens UWV zal nakomen;

- dat hij aan UWV zal voldoen wat UWV volgens zijn schriftelijke opgaven op grond van de Wet WIA van de werkgever vordert, zodra UWV schriftelijk verklaart dat de werkgever, zijn rechtsopvolger onder algemene titel of de verkrijgende werkgever als bedoeld in artikel 84, lid 3, 4 en 5 Wet WIA, niet voldoet aan zijn verplichtingen”

2.3

ASR heeft zowel met TSN Thuiszorg als TSN Groningen Holding een “WGA ERD verzekering conventioneel” afgesloten. De polisvoorwaarden vermelden het volgende over de afgegeven garantieverklaring:3

“Hoofdstuk IX

Garantiestelling

Artikel 23 Garantie jegens het UWV (niet van toepassing indien uitgesloten op het polisblad)

23.1

Deze verzekering behelst tevens een garantie jegens het UWV voor het geval dat verzekeringnemer de verplichtingen die hij als eigen risicodrager jegens het UWV heeft niet, niet tijdig of niet volledig nakomt of kan nakomen. Ingevolge deze verzekering verplicht de verzekeraar zich om, op het eerste verzoek en op enkele schriftelijke mededeling van het UWV dat de eigen risicodrager zijn verplichtingen niet nakomt, deze verplichting na te komen.

23.2

Op het polisblad geeft de maatschappij een garantie jegens het UWV af welke geacht wordt te voldoen aan de door of krachtens de Wet financiering sociale verzekeringen gestelde eisen.

23.3

Jegens de verzekeringnemer biedt deze garantie geen dekking. Indien het UWV op grond van deze garantie vorderingen op verzekeringnemer op de maatschappij verhaalt zal verzekeringnemer deze vorderingen daarom volledig en onverwijld aan de maatschappij restitueren. Indien verzekeringnemer meent dat de vorderingen van het UWV geheel of gedeeltelijk onjuist zijn laat dat onverlet zijn verplichting als hiervoor omschreven, verzekeringnemer dient in dat geval het UWV aan te spreken.

23.4

Verzekeringnemer overlegt het polisblad met de garantieverklaring aan de Belastingdienst. De maatschappij zal nietigheid of beëindiging van deze verzekeringsovereenkomst direct en rechtstreeks aan de Belastingdienst melden.”

2.4

Het eigenrisicodragerschap van beide vennootschappen is per 1 juli 2015 op hun eigen verzoek beëindigd. Per die datum is ook de garantstelling van ASR ingetrokken.

2.5

Op 13 november 2015 heeft de rechtbank Overijssel TSN Thuiszorg voorlopige surseance van betaling verleend. Aan TSN Groningen Holding B.V. is op 1 december 2015 surseance van betaling verleend.4

2.6

TSN Thuiszorg en TSN Groningen Holding zijn op 16 maart 2016 respectievelijk 17 maart 2016 in staat van faillissement verklaard.

2.7

De activiteiten van TSN Thuiszorg en TSN Groningen zijn (deels) voortgezet door andere thuiszorgorganisaties.

3 Procesverloop

3.1

Bij 13 afzonderlijke besluiten van 20 april 2016, 21 april 2016,12 mei 2016 en 26 mei 2016 (de primaire besluiten) heeft het UWV de kosten van de WGA-uitkeringen van de (ex-)werknemers van TSN Thuiszorg en TSN Groningen Holding verhaald op de garantsteller (destijds Loyalis).

3.2

De garantsteller heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.5 De garantsteller heeft onder meer aangevoerd dat niet vaststaat dat alle (ex-)werknemers ten aanzien van wie zij verantwoordelijk is gehouden voor de betaling van de WGA-uitkering, op de eerste ziektedag in dienst waren van TSN Thuiszorg en TSN Groningen Holding. Verder heeft de garantsteller het standpunt ingenomen dat het UWV deugdelijk onderzoek had moeten doen naar overgang van onderneming, te meer nu de TSN-organisatie waarvan de gefailleerden onderdeel uitmaakten uit 52 entiteiten bestond, en er zowel voor als na het faillissement van TSN Thuiszorg en TSN Groningen Holding meerdere bedrijfsovernames en fusies hebben plaatsgevonden. De bestreden besluiten zijn dan ook onzorgvuldig en ondeugdelijk voorbereid, aldus de garantsteller.

3.3

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het UWV de bezwaren van de garantsteller tegen de primaire besluiten deels gegrond en deels ongegrond verklaard.6 Het hiertegen ingestelde beroep (AWB 16/2643) is door de rechtbank Limburg bij uitspraak van 31 januari 2018 gegrond verklaard.7 Daartoe heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat het UWV aan de hand van het toetsingskader dat de CRvB heeft gegeven in zijn uitspraken van 11 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4322) en 21 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1608) zorgvuldig had moeten onderzoeken of sprake is geweest van gehele of gedeeltelijke overgang van onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank kon het UWV daarbij niet enkel afgaan op gegevens van de Belastingdienst.8

3.4

Tegen de uitspraak van 31 januari 2018 is geen hoger beroep ingesteld.

3.5

Ter uitvoering van de uitspraak van 31 januari 2018 heeft het UWV bij besluit van 14 november 2018 opnieuw op de bezwaren van de garantsteller beslist.9

3.6

Voorts heeft de garantsteller bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten van het UWV van 25 april 2017, 25 mei 2017, 22 juni 2017, 20 juli 2017, 24 augustus 2017, 21 september 2017, 19 oktober 2017, 23 november 2017, 22 december 2017, 26 februari 2018,1 maart 2018, 15 maart 2018, 13 april 2018, 11 mei 2018, 16 juni 2018, 12 juli 2018, 16 augustus 2018, 13 september 2018, 11 oktober 2018 en 15 november 2018. Op die bezwaren is door UWV op 18 december 2018 beslist.10

3.7

De garantsteller is tegen beide beslissingen op bezwaar (van 14 november 2018 en van 18 december 2018) in beroep gegaan. Het UWV heeft tegen beide beroepen een verweerschrift ingediend. Het onderzoek is ter zitting gevoegd en heeft in beide zaken plaatsgevonden op 11 mei 2020.

3.8

Bij uitspraak van 15 september 2021 heeft de rechtbank Limburg beide beroepen gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd.11 Daartoe heeft de rechtbank samengevat het volgende overwogen.

3.9

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 januari 2018 bindende werking heeft, en dat het bestuursorgaan dus uitvoering aan die uitspraak moet geven. Dat de uitleg die de rechtbank aan het toepasselijke recht rondom overgang van onderneming heeft gegeven, inmiddels is achterhaald door een andere uitleg in een latere uitspraak van een hoger beroepscollege, doet hieraan niet af. Dit betekent dat voor wat betreft de beoordeling van de vraagstukken rondom overgang van onderneming, twee verschillende toetsingskaders moeten worden gehanteerd (rov. 15-23). Dit leidt tot het oordeel dat het beroep tegen het besluit van 14 november 2018 gegrond is, omdat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een volledige overgang van onderneming (rov. 24-28).

3.10

Ook het beroep tegen het besluit van 18 december 2018 is volgens de rechtbank gegrond. Na toepassing van het nieuwe toetsingskader inzake overgang van onderneming, overweegt de rechtbank dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vóór faillissement sprake was van een gedeeltelijke overgang van onderneming (rov. 30). Met betrekking tot de positie van de garantsteller ná faillissement, overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld wordt dat art. 84 lid 3 (thans: art. 82 lid 3) Wet WIA de regeling betreffende de gevolgen van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW, ook van toepassing doet zijn op overname bij faillissement. Hiermee wijkt de wetgever voor de toepassing van de regels van de Wet WIA over eigenrisicodragen kennelijk af van art. 7:666 BW, waarin is bepaald dat art. 7:662 BW e.v. niet van toepassing zijn indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort (rov. 35). In art. 84 lid 2 (thans: art. 84 lid 4) Wet WIA is verder bepaald dat, onder meer indien de eigenrisicodrager failliet is verklaard, het UWV de uitkering betaalt en verhaalt op de garantsteller bedoeld in art. 40 lid 2 Wfsv. Aldus vormt voornoemde bepaling in de Wet WIA een nadere afbakening van de regeling in art. 40 lid 2 Wfsv. Verhaal op de garantsteller is dus niet reeds mogelijk zodra de eigenrisicodrager zijn verplichtingen niet nakomt, maar pas als de eigenrisicodrager failliet is verklaard. In dat geval strekt de verhaalsmogelijkheid zich wel uit over de achterstallige verplichtingen die zijn ontstaan vóór het faillissement (rov. 36-37). Als vóór het faillissement de onderneming geheel is overgegaan, strekt de garantie zich ook uit over de verplichtingen die op de overnemende onderneming zijn overgegaan. Uit het wettelijk systeem volgt echter dat verhaal op de garantsteller in dat geval pas mogelijk is als de overnemende werkgever die verplichtingen niet nakomt, en als ten aanzien van die werkgever is voldaan aan de vereisten van art. 84 lid 2 Wet WIA (thans: art. 84 lid 4 Wet WIA). Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank met name de situatie dat ook deze failliet wordt verklaard (rov. 38). In overeenstemming hiermee heeft het UWV onderzocht of er vóór het faillissement sprake is geweest van overgang van onderneming en heeft hij op grond daarvan een deel van de bezwaren gegrond verklaard. Het hier besproken wettelijke systeem heeft naar het oordeel van de rechtbank echter ook betrekking op de situatie ná faillissement (rov. 39). Nu het UWV ten onrechte niet heeft onderzocht of ná faillissement sprake is geweest van een volledige overgang van onderneming, is ook het beroep in deze zaak gegrond (rov. 40).

3.11

Vervolgens beoordeelt de rechtbank of, ondanks de gegrondverklaring van de daartegen gerichte beroepen, de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. In dat kader overweegt de rechtbank dat bij het identificeren van de (ex-)werknemers ten aanzien van wie de garantsteller wordt aangesproken voor betaling van de WGA-uitkering, het UWV mag uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij er sprake is van evidente fouten in die administratie (rov. 45-46). Verder overweegt de rechtbank dat zij geen wettelijke basis ziet om, zover het de periode van surseance van betaling en na de opzegtermijn van het faillissement betreft, de verhaalskosten éérst uit de boedel te betalen (rov. 53). Ook de beroepsgrond dat de garantsteller financieel niets aan het UWV verschuldigd is omdat het uitlooprisico is geëindigd met de opzegging van de arbeidsovereenkomsten van alle werknemers, slaagt niet (rov. 54).

3.12

De rechtbank gaat vervolgens over tot een individuele beoordeling van in totaal 95 (ex-)werknemers, en komt tot de slotsom dat het UWV ten aanzien van drie (ex-)werknemers een nieuw besluit moet nemen. Voor het overige blijven de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand.

3.13

De garantsteller is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 september 2021, voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven.

3.14

In hoger beroep wordt onder meer aangevoerd dat uit het faillissementsverslag blijkt dat alle activiteiten van de eigenrisicodrager zijn voortgezet door doorstarters, zodat de garantsteller vanaf dat moment (volgens het faillissementsverslag per 28 maart 2016 of uiterlijk per 25 april 2016) niet meer kan worden aangesproken (beroepsgrond 3).

3.15

Verder betoogt de garantsteller dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het UWV in beginsel mag uitgaan van de polisadministratie (beroepsgrond 4). Ook wordt opgekomen tegen rov. 51 van de bestreden uitspraak, waarin de rechtbank overweegt dat het UWV ook in de toekomst nog op de garantsteller kan verhalen, als de overnemende partij niet betaalt (beroepsgrond 5). De garantsteller voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte het UWV niet heeft verplicht om een zorgvuldig onderzoek te doen om op basis hiervan tot een inzichtelijk en gemotiveerd besluit te komen (beroepsgrond 8).

3.16

Bij verweerschrift van 20 januari 2023 heeft het UWV gereageerd op het hoger beroepschrift van de garantsteller.

3.17

Eerder, op 20 mei 2022, heeft het UWV incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 15 september 2021. Ten eerste komt het UWV op tegen de wijze waarop de rechtbank in rov. 36 en rov. 37 uitleg geeft aan (de verhouding tussen) art. 40 lid 2 Wfsv en art. 84 (thans: art. 82) Wet WIA, en overweegt dat verhaal op de garantsteller pas mogelijk is wanneer de eigenrisicodrager in staat van faillissement verkeert. Volgens het UWV is dit niet juist en is verhaal op de garantsteller mogelijk in alle situaties waarin de eigenrisicodrager zijn verplichtingen niet nakomt. Ten tweede komt het UWV op tegen het oordeel dat het had moeten onderzoeken of na faillissement sprake was van overgang van onderneming. Volgens het UWV hoeft het bestaan van eventuele overgang van onderneming alleen actief te worden onderzocht als daar een concrete feitelijke aanleiding van voldoende substantie voor is.

3.18

De garantsteller heeft bij verweerschrift van 20 juli 2022 gereageerd op het incidenteel beroepschrift van het UWV.

3.19

Op 21 juni 2024 is mij verzocht conclusie te nemen in de hier besproken zaken. De vraagstelling luidt als volgt:

“Vraagstelling

“ Het hoger beroep dat bij de Raad is geregistreerd onder nummer 21/3756 is beperkt tot de vraag of het UWV voor wat betreft de WIA-verhaalsbesluiten die zien op WGA-uitkeringen die in de periode van november 2015 tot en met april 2016 zijn verstrekt aan ex-werknemers van TSN, op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2018. Het hoger beroep dat bij de Raad is geregistreerd onder nummer 21/3757 gaat over WIA-verhaalsbesluiten die zien op WGA-uitkeringen die in de periode van april 2017 tot en met november 2018 zijn verstrekt aan ex-werknemers van TSN, van wie de eerste arbeidsongeschiktheidsdag volgens het UWV gelegen was in een periode dat TSN een ERD was. ASR heeft diverse principiële gronden aangevoerd tegen deze verhaalsbesluiten. Deze gronden hebben bij de Raad tot de navolgende vragen geleid die aan u worden voorgelegd:

“ 1a. Hoe verhoudt de civielrechtelijke garantstelling, die vereist wordt in artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) (betaling op eerste verzoek door het UWV waarin deze schriftelijk meedeelt dat de ERD betalingsverplichtingen niet nakomt) zich tot artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA, dat deze verhaalsmogelijkheid beperkt tot situaties van faillissement of schuldsanering.

“ 1b. Indien het bepaalde in artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA aldus moet worden uitgelegd dat verhaal slechts mogelijk is indien sprake is van faillissement of schuldsanering van een ERD, strekt de periode waarover vervolgens verhaald kan worden zich dan slechts uit over de periode nadat het faillissement is ingetreden? Dit gelet op artikel 84, derde lid, van de Wet WIA, waaruit volgt dat in geval de ERD de WGA-uitkering niet betaalt, het UWV deze uitkering betaalt en verhaalt op de ERD. Of moet dit artikellid, mede gezien de inhoud van de garantstelling die artikel 40, tweede lid, van de Wfsv voorschrijft, zo worden begrepen dat verhaal - nadat het faillissement eenmaal is ingetreden - ook mogelijk is over daarvoor gelegen periodes waarin de ERD de op hem rustende betalingsverplichtingen op grond van de Wet WIA niet is nagekomen en het UWV de betalingsverplichting op grond van artikel 84, derde lid, van de Wet WIA heeft overgenomen?

2. Verplicht artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA of enige andere wettelijke bepaling ertoe dat eerst de faillissementsboedel wordt aangesproken alvorens op de garantsteller wordt verhaald, en zo ja: is dit dan beperkt tot een bepaalde periode?

3. Moet het UWV, alvorens tot verhaal op de garantsteller wordt overgegaan, in alle gevallen eerst onderzoek doen naar een eventuele overgang van de onderneming, of mag het UWV daarbij in beginsel uitgaan van de hem bekende gegevens uit de polis-administratie?

4. Indien het eigen risico na faillissement op grond van een overgang van onderneming is overgegaan op een verkrijger, verhindert dat (verder) verhaal op de garantsteller in de situatie dat de verkrijger niet betalingsonmachtig is? Zo ja, herleeft dat verhaalsrecht op de oorspronkelijke garantsteller weer op de voet van artikel 40, zevende lid, van de Wfsv indien de verkrijger op zijn beurt in faillissement of schuldsanering raakt of dient in zo’n geval de garantsteller van de verkrijger te worden aangesproken, als deze eigenrisicodrager is?

5. Is het antwoord op vraag 4 anders als de onderneming geheel is overgegaan vóór het faillissement?

6. Als het UWV verhaalt op de garantsteller: kan de garantsteller dan nog gronden aanvoeren die zien op:

a. toerekeningsbesluiten die destijds al aan de ERD zijn gezonden;

b. het ontbreken of niet meer reproduceerbaar zijn van toerekeningsbesluiten als de ERD de rechtmatigheid van het verhaal van de desbetreffende uitkeringen niet eerder heeft betwist?”

3.20

ASR heeft bij brief van 5 juli 2024 op het conclusieverzoek gereageerd. Het UWV heeft bij brief van 22 augustus 2024 een reactie gegeven op de brief van ASR. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassing van de vragen in het conclusieverzoek.

3.21

Op 19 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

4 De ontwikkeling van het eigenrisicodragerschap in de socialeverzekeringswetten

5 De inhoud en strekking van de garantieverklaring

6 De reikwijdte van de garantie

7 De werking van de garantie bij faillissement

8 De werking van de garantie na faillissement en overgang van onderneming

9 De onderzoeksplicht van het UWV bij verhaal op de garantsteller

10 De gronden die de garantsteller kan aanvoeren tegen het verhaalsbesluit

11 Beantwoording van de vragen