Centrale Raad van Beroep, 16-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:140, 22/1014 WMO15
Centrale Raad van Beroep, 16-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:140, 22/1014 WMO15
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 16 januari 2025
- Datum publicatie
- 24 januari 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:140
- Zaaknummer
- 22/1014 WMO15
Inhoudsindicatie
Het college was niet bevoegd om de aanvraag voor een maatwerkvoorziening tillift af te wijzen op de grond dat betrokkene aanspraak had op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, maar deze bepaling geldt op grond van artikel 8.6a van die wet niet bij aanvragen om hulpmiddelen en woningaanpassingen als de verzekerde thuis woont. Daaronder moet worden verstaan: geen verblijf heeft in een Wlz-instelling. Als de zorg tot gelding wordt gebracht met een volledig pakket thuis is per definitie geen sprake van verblijf in een Wlz-instelling.
Uitspraak
22/1014 WMO15, 22/2351 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2022, 21/264 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
de erfgename van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellante )
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 16 januari 2025
Het college was niet bevoegd om de aanvraag voor een maatwerkvoorziening tillift af te wijzen op de grond dat betrokkene aanspraak had op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Er is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, maar deze bepaling geldt op grond van artikel 8.6a van die wet niet bij aanvragen om hulpmiddelen en woningaanpassingen als de verzekerde thuis woont. Daaronder moet worden verstaan: geen verblijf heeft in een Wlz-instelling. Als de zorg tot gelding wordt gebracht met een volledig pakket thuis is per definitie geen sprake van verblijf in een Wlz-instelling.
PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft M.E. van Gilst-van Heek hoger beroep ingesteld. Mr. M.J.A.C. Bruins Slot heeft namens betrokkene de gronden van het hoger beroep ingediend. Verder heeft betrokkene verzocht het college te veroordelen tot betaling van vergoeding van schade.
Het college heeft op 7 juli 2022 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft gronden ingediend tegen deze nieuwe beslissing. Met toepassing van artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht is de nieuwe beslissing in de lopende procedure betrokken.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op [datum] 2023 overleden. Appellante heeft de procedure voortgezet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gils-van Heek en mr. Bruins Slot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Heijligenberg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene had een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor het zorgprofiel VV beschermd wonen met intensieve dementiezorg. Hij woonde in een studio in een kleinschalige woonzorglocatie van de particuliere zorgorganisatie [naam zorgorganisatie B.V.] ([zorgorganisatie]). Met [zorgorganisatie] had betrokkene een zorgovereenkomst, een huurovereenkomst en een overeenkomst voor woon- en zorggerelateerde diensten gesloten. Betrokkene ontving de zorg op grond van de Wlz in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt).
Op enig moment was betrokkene niet meer in staat om zelfstandig transfers te maken. Daarom heeft hij zich bij het college gemeld voor een maatwerkvoorziening tillift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en een daartoe strekkende aanvraag ingediend.
Het college heeft met een besluit van 13 februari 2020, gehandhaafd bij bestreden besluit 1 van 14 december 2020, de aanvraag van betrokkene afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de gevraagde maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 kon worden geweigerd omdat betrokkene aanspraak had op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Verder overweegt het college dat verwacht mag worden dat de woonzorglocatie waar betrokkene verblijft beschikt over de noodzakelijke hulpmiddelen, waaronder een tillift.
Uitspraak van de rechtbank
In beroep tegen bestreden besluit 1 heeft betrokkene zich beroepen op artikel 8.6a van de Wmo 2015. Op grond van die bepaling geldt artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 (nog) niet voor cliënten die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd. Van thuis wonen is volgens betrokkene sprake, omdat [zorgorganisatie] geen verblijf levert in de zin van de Wlz.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de uitzondering van artikel 8.6a van de Wmo 2015 niet van toepassing is. Betrokkene woont volgens de rechtbank niet thuis als bedoeld in dit artikel. Hij woont namelijk in een onzelfstandige woonruimte waarbij zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Omdat de eerdergenoemde uitzondering niet van toepassing is en betrokkene een Wlz-indicatie voor verblijf heeft, is het college volgens de rechtbank bevoegd de aanvraag af te wijzen. Uit bestreden besluit 1 volgt echter onvoldoende dat het college de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
Nieuwe beslissing op bezwaar
3. Met een besluit van 7 juli 2022 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Het college vindt dat het redelijkerwijs heeft kunnen besluiten tot het afwijzen van de aanvraag. Volgens het college is [zorgorganisatie] verantwoordelijk voor de aanschaf van een tillift voor haar doelgroep. De tillift is namelijk een essentieel onderdeel om de woonvorm geschikt te maken voor deze doelgroep. Hier komt bij dat een tillift in principe bedoeld is ter bescherming van het bewegingsapparaat van de zorgverlener. De aanschaf van de tillift past dan ook beter bij de verantwoordelijkheid van een zorginstelling als werkgever dan bij de verantwoordelijkheid van het college. Bovendien heeft betrokkene inmiddels zelf een tillift gehuurd. Niet is gebleken dat hij niet in staat is de huur hiervoor te betalen. Ten slotte zou het toewijzen van aanvragen voor hulpmiddelen in de situatie van cliënten zoals betrokkene, tot grote financiële gevolgen voor het college leiden.
Het hoger beroep
Appellante is op hieronder te bespreken gronden opgekomen tegen de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 2. Zij verzoekt de Raad het college te veroordelen tot betaling van vergoeding van de als gevolg van de besluitvorming geleden schade.
Het college blijft bij bestreden besluit 2 en de gronden waarop dit besluit berust. Voor het geval de Raad zou oordelen dat het college gehouden was de tillift te verstrekken, heeft het college toegezegd de kosten te vergoeden die betrokkene heeft gemaakt voor de huur van een tillift en tilbanden, zoals blijkend uit een tijdens de zitting bij de Raad overgelegd overzicht, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de betalingen van de huursom.