Centrale Raad van Beroep, 21-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:207, 23/2006 PW
Centrale Raad van Beroep, 21-01-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:207, 23/2006 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 21 januari 2025
- Datum publicatie
- 19 februari 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:207
- Zaaknummer
- 23/2006 PW
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering van bijstand. Op geld waardeerbare activiteiten. Recht niet vast te stellen. Geen dringende redenen. Het college heeft de bijstand ingetrokken en teruggevorderd omdat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het op naam hebben van en het op geld waardeerbare activiteiten verrichten voor, een stichting en een reisbureau, bijschrijvingen van derden en verblijf in het buitenland. Daardoor is het recht op bijstand niet vast te stellen. Geen belangenafweging bij intrekking op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin van de PW. Het college heeft geen dringende redenen hoeven aan te nemen. Geen onevenwichtige belangenafweging, gelet op onduidelijkheid over financiële middelen van appellanten.
Uitspraak
23/2006 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 mei 2023, 22/4383 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 21 januari 2025
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het op naam hebben van, en het op geld waardeerbare activiteiten verrichten voor, een stichting en een reisbureau, bijschrijvingen van derden en verblijf in het buitenland en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellanten voeren aan dat het recht op bijstand ondanks de schending van de inlichtingenverplichting wel kan worden vastgesteld, dat het college bij de intrekking ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt en dat er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Deze gronden slagen niet. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. Appellanten hebben namelijk geen inlichtingen verstrekt over de door hen verrichte op geld waardeerbare activiteiten en hun financiële situatie. Ook hebben zij geen inlichtingen verstrekt over de duur van het verblijf in het buitenland. Bij een verplichte intrekking van bijstand bestaat verder geen ruimte voor een belangenafweging. Ondanks dat het college pas bijna twee jaar na ontvangst van een concrete tip onderzoek heeft gedaan, heeft het daarin in dit geval geen aanleiding hoeven zien om op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien. Daarbij is vooral van belang dat appellanten tot op heden geen enkele duidelijkheid hebben gegeven over hun financiële situatie in de te beoordelen periode.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
In deze zaak zijn partijen hangende het vooronderzoek in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan een schriftelijke intake. Beide partijen hebben daarop het intakeformulier ingevuld en ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 december 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Appellante is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Roerig.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellanten ontvingen sinds 14 maart 2015, in aanvulling op inkomsten uit arbeid van appellant, bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
De Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen heeft van de Groningen Kredietbank (Gkb) eind januari 2020 een melding over appellanten ontvangen. Volgens de melding heeft appellante bij de Gkb tijdens een intakegesprek verklaard dat appellant op dat moment voor “zijn bedrijf” in Rwanda verblijft. Omdat het college tot dan toe nog geen informatie had ontvangen over het bezit van een eigen bedrijf, werkzaamheden of verblijf in het buitenland, heeft de afdeling Handhaving daarop vanaf medio december 2021 onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.
Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant sinds 28 december 2015 bij de Kamer van Koophandel (KvK) stond geregistreerd als eigenaar van de eenmanszaak Y (reisbureau). Ook is gebleken dat appellanten vanaf 25 februari 2008 bij de KvK stonden ingeschreven als medebestuurders van de Stichting X (stichting) te [plaats] . De stichting heeft naast appellanten nog twee andere medebestuurders.
Appellanten zijn vervolgens opgeroepen voor een gesprek op 23 december 2021 met het verzoek om bewijsstukken mee te nemen, zoals de jaarrekeningen van het reisbureau en afschriften van alle privébankrekeningen, waaronder drie concreet genoemde bankrekeningnummers, vanaf 1 januari 2020 en van alle bedrijfsrekeningen vanaf 1 januari 2016.
Op 23 december 2021 is alleen appellant verschenen. Tijdens dat gesprek heeft appellant verklaard dat hij in 2015 het reisbureau heeft kunnen opstarten met geld dat hij heeft ontvangen van vrienden, dat hij reizen organiseerde, dat hij daar na drie jaar mee is gestopt en dat het reisbureau bij de KvK is uitgeschreven. Tijdens het gesprek is aan appellant een bewijsstuk getoond dat op dat moment het reisbureau nog als actief bedrijf op naam van appellant stond en appellanten ook als bestuurders van de stichting in de KvK stonden ingeschreven. Appellant verklaarde daarop dat er nu geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Hij kon desgevraagd niet benoemen hoeveel tijd hij aan de stichting besteedde. Verder heeft appellant verklaard dat appellante op dat moment voor “haar bedrijf” voor drie weken in Rwanda verbleef. Appellant heeft op 23 december 2021 alleen twee afschriften van een zakelijke bankrekening verstrekt.
Het college heeft met een besluit van 23 december 2021 het recht op bijstand met ingang van 23 december 2021 opgeschort en appellanten in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende stukken voor 7 januari 2022 te verstrekken, waaronder de eerder gevraagde bankafschriften en een bewijs dat het reisbureau uit de KvK is geschreven. Appellanten hebben de ontbrekende stukken niet verstrekt. Tegen de opschorting van het recht op bijstand hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.
Het college heeft vervolgens met een besluit van 12 april 2022 de algemene bijstand van appellanten met ingang van 23 december 2021 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. In dit besluit heeft het college de bijstand ook met ingang van 1 januari 2020 ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW. Verder heeft het college de kosten van de (algemene) bijstand in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 december 2021 tot een bedrag van in totaal € 19.808,44 van appellanten teruggevorderd.
Het college heeft verder met een besluit van 29 april 2022 de bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een dieet met ingang van 23 december 2021 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. In dit besluit heeft het college de bijzondere bijstand ook met ingang van 1 januari 2020 ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW. Verder heeft het college de kosten van bijzondere bijstand in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 tot een bedrag van € 5.400,- van appellanten teruggevorderd.
Appellanten hebben tegen de besluiten van 12 april 2022 en 29 april 2022 bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase hebben appellanten van één privérekening schermafdrukken overgelegd over de periodes van 3 juni 2020 tot en met 30 december 2020 en 1 januari 2021 tot en met 30 mei 2022, maar zonder informatie over het saldo op de rekening en omschrijvingen bij de transacties. Uit deze schermafdrukken blijkt dat er sprake is van meerdere bijschrijvingen van derden, waaronder bijschrijvingen van een medebestuurder van de stichting en overschrijvingen van twee tot dan toe nog niet bij het college bekende spaarrekeningen van appellanten.
Het college heeft met een besluit van 16 november 2022 (bestreden besluit) de intrekking en terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand gehandhaafd. Daarbij heeft het college de intrekking van de bijstand niet meer ook gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de PW, maar alleen op artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW. Volgens het college hebben appellanten vanaf 1 januari 2020 de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te doen van en geen inlichtingen te verstrekken over:
- de stichting waarvan zij vanaf 2008 als medebestuurders zijn geregistreerd;
- het reisbureau waarvan appellant vanaf eind 2015 als eigenaar is geregistreerd;
- de (omvang van de) werkzaamheden die appellanten voor de stichting en het reisbureau hebben verricht en of, en zo ja hoeveel, inkomen daarmee is verdiend;
- de vermogenspositie van de stichting, het reisbureau en appellanten;
- het verblijf van appellanten in het buitenland voor wat betreft zowel duur als frequentie;
- de twee spaarrekeningen van appellanten;
- bijschrijvingen en stortingen op een privérekening van appellanten.
Verder ontbreken verschillende gevraagde stukken, zoals de meeste bankafschriften van de zakelijke rekening van het reisbureau vanaf 1 januari 2016, bankafschriften van de stichting en de bankafschriften van de overige privérekeningen, een jaarrekening van het reisbureau en jaarcijfers van de stichting en kopieën van paspoorten. Gelet op het voorgaande kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus het college.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.