Centrale Raad van Beroep, 13-02-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:255, 24/386 WAJONG
Centrale Raad van Beroep, 13-02-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:255, 24/386 WAJONG
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 13 februari 2025
- Datum publicatie
- 19 februari 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:255
- Zaaknummer
- 24/386 WAJONG
Inhoudsindicatie
Weigering toekenning Wajong-uitkering. Geen sprake van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Geringe kans op herstel op lange termijn maakt dat niet uitgesloten is dat de mogelijkheid tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst nog kan ontwikkelen.
Uitspraak
24/386 WAJONG
Datum uitspraak: 13 februari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2024, 23/3064 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante niet duurzaam is en terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Ö. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 oktober 2024 heeft mr. J. Marges, advocaat, zich als gemachtigde van appellante gesteld en vervolgens aanvullende gronden en medische stukken ingediend.
Het Uwv heeft een reactie ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2025. Appellante is verschenen, vergezeld door haar moeder en bijgestaan door mr. Marges. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 10 mei 2022 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante een autismespectrumstoornis (ASS) en fibromyalgie heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een psycholoog en reumatoloog. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 15 augustus 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 31 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellante heeft gesteld over haar traumabehandeling, revalidatie en behandeling voor ASS en de verklaringen van haar moeder niet uitsluiten dat de basale werknemersvaardigheden kunnen verbeteren als gevolg van behandeling, zoals geconcludeerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet gevolgd kan worden in de conclusie dat, gelet op de stages en bijbaantjes van appellante, appellante in staat moet worden geacht om (minimaal) een uur per dag aaneengesloten te kunnen werken. Gelet hierop heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat geen sprake is van het duurzaam geen mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie per datum in geding. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering.
Het hoger beroep van appellante
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd wat de behandeling voor appellante zal betekenen wat betreft haar beperkingen. Het Uwv had een inschatting moeten geven van het te behalen resultaat van de behandeling bij SARR Autisme Antes (SARR), waarvoor appellante al geruime tijd op de wachtlijst staat en op welke feiten en omstandigheden hij de te behalen resultaten baseert. Haar beperkingen hebben er namelijk tot op heden voor gezorgd dat zij – ondanks jarenlange behandelingen – geen opleiding heeft kunnen afronden en een baan langer dan zeven maanden heeft kunnen behouden. Anders dan het Uwv stelt, kan appellante niet één uur aaneengesloten werken. Het Uwv heeft daarbij enkel gekeken naar het feit dat appellante opleidingen heeft gevolgd en enkele bijbaantjes heeft gehad. Dit is onvoldoende om te kunnen stellen dat appellante één uur aaneengesloten kan werken.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.