Home

Hoge Raad, 15-11-2005, AU3460, 00807/05

Hoge Raad, 15-11-2005, AU3460, 00807/05

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 november 2005
Datum publicatie
15 november 2005
ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AU3460
Formele relaties
Zaaknummer
00807/05

Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid verdachte in cassatie. Het cassatieberoep is ingesteld op 10-2-05, zodat verdachte - nu hij ter terechtzitting van het hof van 11-1-05 was verschenen - ex art. 432.1.b Sv in het beroep niet kan worden ontvangen. De omstandigheid dat het verzuim om tijdig cassatieberoep in te stellen - naar in de cassatieschriftuur wordt gesteld - is begaan door een toegevoegde advocaat, dwingt niet tot een ander oordeel, ook niet in het licht van art. 6 EVRM.

Uitspraak

15 november 2005

Strafkamer

nr. 00807/05

PB/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 januari 2005, nummer 23/002018-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Detentie Centrum Zeist te Soesterberg.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 29 april 2004 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot 47 maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring als in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 10 februari 2005, zodat de verdachte - nu hij ter terechtzitting van het Hof van 11 januari 2005 was verschenen - ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder b, Sv in het beroep niet kan worden ontvangen. De omstandigheid dat het verzuim om tijdig cassatieberoep in te stellen - naar in de cassatieschriftuur wordt gesteld - is begaan door een toegevoegde advocaat, dwingt niet tot een ander oordeel, ook niet in het licht van art. 6 EVRM.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 november 2005.