Home

Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen

Geldig van 1 januari 2025 tot 1 januari 2038
Geldig van 1 januari 2025 tot 1 januari 2038

Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2038]

Aanhef

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister voor Jeugd en Gezin en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 17c en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet, 41 en 55 van de Algemene nabestaandenwet,17e en 24b van de Algemene Ouderdomswet, 14c en 20b van de Toeslagenwet, 27c en 36b van de Werkloosheidswet, 42 en 57 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 50 en 65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 29c en 57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 79 en 93 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 33b en 45c van de Ziektewet;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  1. AKW: Algemene Kinderbijslagwet;

  2. Anw: Algemene nabestaandenwet;

  3. AOW: Algemene Ouderdomswet;

  4. IOW: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;

  5. TW: Toeslagenwet;

  6. WW: Werkloosheidswet;

  7. WAZO: Wet arbeid en zorg;

  8. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

  9. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

  10. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  11. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  12. ZW: Ziektewet;

  13. schuldenaar: degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd of van wie een bedrag wordt teruggevorderd;

  14. werkgever: de schuldenaar die tevens werkgever of eigenrisicodrager is;

  15. bestuurlijke boete: een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid van de artikelen 17a van de AKW, 39 van de Anw, 17c van de AOW, 21 van de IOW, 14a van de TW, 27a van de WW, 3:16 en 3:27 van de WAZO, 2:69 en 3:40 van de Wajong, 48 van de WAZ, 29a van de WAO, 91 van de Wet WIA, en in de artikelen 38, vierde lid, 38a, zevende lid, 45a, eerste lid, en 63c van de ZW;

  16. vordering:

    1. het bedrag dat wordt teruggevorderd op grond van de artikelen 24 van de AKW, 53 van de Anw, 24 van de AOW, 34 van de IOW, 20 van de TW, 36 van de WW, 3:16 en 3:27 van de WAZO, 2:59 of 3:56 van de Wajong, 63 van de WAZ, 57 van de WAO, 77 van de Wet WIA, of 33 van de ZW; ;

    2. het bedrag dat als bestuurlijke boete is opgelegd;

    3. het bedrag dat het UWV op de werkgever verhaalt op grond van de artikelen 71, tweede lid, 75a, vierde lid, 75b, zevende lid, 75f, eerste lid, van de WAO, 72, tweede lid, 84, derde en vierde lid, onderdeel a, van de Wet WIA, 39a, eerste lid, of 63a, derde, vierde of vijfde lid, van de ZW of

    4. het bedrag van een aan een werkgever verstrekt re-integratie-instrument dat wordt teruggevorderd op grond van artikel 77 van de Wet WIA;

  17. aflossingscapaciteit: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;

  18. vermogen: vermogensrechten, onroerende en roerende zaken, waarover de schuldenaar beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, waarbij niet als vermogen in aanmerking wordt genomen:

    1. geldmiddelen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht voor zover het de bedragen genoemd in artikel 475da, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet overtreft;

    2. roerende zaken die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de persoon en het gezamenlijk huishouden, noodzakelijk zijn voor de huisraad, dan wel voor beroepswerkzaamheden waarmee in levensonderhoud wordt voorzien, waarvan de dagwaarde per zaak € 1.200,00 of minder bedraagt; en

    3. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Participatiewet, voor zover dit minder bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet;

  19. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  20. SVB: Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 1a. Grondslag

Artikel 2. Bevoegdheid verrekening met werkgever

Het UWV is, naast de in artikel 1, onderdelen a tot en met l, genoemde wetten opgenomen bevoegdheden tot verrekening van vorderingen op werknemers, tevens bevoegd tot verrekening van een vordering op de werkgever met een aan de werkgever te betalen bedrag.

Artikel 3. Standaardregeling voor uitstel van betaling

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2025]

Artikel 5. Voldoening vordering tot en met € 300,–

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2025]

Artikel 7. Voorschriften uitstel van betaling

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2025]

Artikel 9. Toerekening van betalingen

Artikel 10. Toepasselijkheid op de werkgever

Artikel 10a [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 11. Overgangsrecht

Artikel 11a [Vervallen per 01-01-2025]

Artikel 12. Inwerkingtreding

Artikel 13. Citeertitel