Duurzaamheid. 10-jaarstermijn

Duurzaamheid. 10-jaarstermijn

Gegevens

Nummer
2025/36
Publicatiedatum
2 april 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2024:2275
Rubriek
Uitspraak

CRvB 25 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2275, USZ 2025/78, m.nt. E. van den Bogaard. Zie ook Rb Zeeland-West-Brabant 24 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7105, USZ 2025/84

Samenvatting

Het UWV heeft terecht vastgesteld dat appellante op de datum van de aanvraag, 12 maart 2019, weliswaar niet over arbeidsvermogen beschikte maar dat dit nog geen duurzame situatie was. Appellante had in 2015/2016 gedurende anderhalf jaar een regulier dienstverband en daarmee arbeidsvermogen. Daarnaast volgt uit medische informatie dat appellante sinds 2016 in behandeling is en dat een gedegen traumabehandeling zal leiden tot een betere beheersbaarheid van de prikkelgevoeligheid voor triggers. Gelet hierop voldoet appellante ten tijde van de aanvraag, per wanneer het recht op Wajong-uitkering kan ontstaan, niet aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering. Anders dan de rechtbank in haar (tussen)uitspraak vanuit is gegaan, bestaat voor een beoordeling of voldaan is aan art. 1a:1 lid 3 Wajong geen aanleiding.

Noot

Deze noot is eerder verschenen in USZ 2025/78

10 jaar Wajong 2015: de 10-jaarstermijn

1. Op 1 januari 2025 bestond de Wajong 2015 10 jaar. Dat is in zekere zin een mijlpaal, want de Wajong 2010 werd niet ouder dan 5 jaar. Maar een heugelijke gebeurtenis zal het door niemand worden genoemd: het vanaf 1 januari 2015 van toepassing zijnde arbeidsvermogencriterium is nog nooit geëvalueerd, laat staan gevalideerd, en het duurzaamheidscriterium is net zo onuitvoerbaar als in de Wet WIA, maar in de Wajong 2015 nog strenger dan in de Wet WIA (hoeveel strenger blijkt uit de uitspraak van 13 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:255).

2. Tel uit de zegeningen van het OCTAS-rapport: in de Wet WIA wordt het duurzaamheidscriterium afgeschaft, omdat de duurzaamheid voor verzekeringsartsen zo lastig is vast te stellen, maar hoewel de vaststelling van de duurzaamheid in de Wajong nog ingewikkelder is, wordt deze daar wél gehandhaafd. Wie het snapt, mag het mij uitleggen...

3. Nu is niet alles in de Wajong 2015 kommer en kwel: gelijk met de aanscherping van het Wajong-criterium is in art. 1a:1 lid 3 Wajong een nieuwe escape geïntroduceerd:

“De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had (cursivering EvdB)”.

4. In deze noot ga ik nader in op deze 10-jaarsregeling. Daarbij ga ik in de punten 5-10 in op de momenten waarop iemand jonggehandicapte kan worden en in 11-13 op de rol die de duurzaamheid na 10 jaar geen arbeidsvermogen speelt, in 14-18 op het aaneengesloten ontbreken daarvan, in 19-23 op de parallel met de laattijdige aanvraag, in 24-26 op het (ontbreken van) beleid van het UWV en in 27-30 op de rol van het arbeidsverleden. Vanaf punt 31 bespreek ik de casus en analyseer ik het verschil in benadering tussen de CRvB en de rechtbank, waarna ik in punt 60 e.v. conclusies trek over de verdeling van de bewijsvoeringslast.

Arbeidsvermogen: aspect tijd

5. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wajong 2015 kent het arbeidsvermogencriterium twee aspecten:

  • “het aspect arbeid (sic): iemand kan in het geheel niet werken, heeft geen arbeidsvermogen. Dit betekent dat iemand geen activiteit kan ontplooien, waarvoor een werkgever enig loon zou willen betalen, zelfs niet in een beschutte werkomgeving; en

  • het aspect tijd (sic): iemand heeft geen perspectief op ontwikkeling; herstel is uitgesloten. Er is duurzaam verlies van mogelijkheden tot functioneren”.1

6. Bij het aspect tijd wijst de memorie van toelichting erop dat “(i)emand (...) op het moment van beoordeling (ook) tijdelijk geen arbeidsmogelijkheden (kan) hebben. De situatie is (dan) niet duurzaam. In dat geval kan iemand later alsnog aangemerkt worden als jonggehandicapte. Hij moet dan een aaneengesloten periode van tien jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben gehad. Eerst dan wordt aangenomen dat er duurzaam geen mogelijkheid tot arbeidsparticipatie is (cursivering EvdB)”.

7. Dat betekent dat als een jongere vanaf zijn 18de verjaardag onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft, er 3 momenten zijn waarop hij jonggehandicapte kan worden:

  1. op zijn 18de verjaardag, als op die datum het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam wordt geacht (art. 1a:1 lid 1 onder a);

  2. als in de periode tussen zijn 18de en 23ste verjaardag het ontbreken van arbeidsvermogen alsnog duurzaam wordt geacht, vanaf die datum (art. 1a:1 lid 2; dus uiterlijk op zijn 23ste verjaardag, de periode van 5 jaar ná de 18de verjaardag eindigt immers óp de 23ste verjaardag en niet de dag ervoor);

  3. als vanaf zijn 18de verjaardag het arbeidsvermogen gedurende 10 jaar aaneengesloten heeft ontbroken, maar dit ontbreken in de periode tussen de 18de en 23ste verjaardag niet duurzaam werd geacht, op zijn 28ste verjaardag (art. 1a:1 lid 3).

8. Voor een jongere die op zijn 18de verjaardag al beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ondervindt maar nog wél arbeidsvermogen heeft, zijn deze momenten:

  1. als hij tussen zijn 18de en 23ste verjaardag zijn arbeidsvermogen verliest als gevolg van de ziekte of het gebrek waaruit hij op zijn 18de verjaardag al beperkingen ondervindt, vanaf de datum van dat verlies als dat verlies op die datum duurzaam wordt geacht (art. 1a:1 lid 2, dus uiterlijk op zijn 23ste verjaardag);

  2. als het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van het verlies daarvan nog niet, maar op een datum vóór de 23ste verjaardag alsnog duurzaam wordt geacht, vanaf die datum (art. 1a:1 lid 2, dus ook uiterlijk op zijn 23ste verjaardag);

  3. als vanaf de datum van verlies tussen de 18de en 23ste verjaardag het arbeidsvermogen 10 jaar aaneengesloten heeft ontbroken, vanaf het einde van die 10 jaar (art. 1a:1 lid 3, dus uiterlijk op zijn 33ste verjaardag).

9. Dit betekent dat een jongere uitsluitend jonggehandicapte kan worden in de periode van zijn 18de verjaardag t/m zijn 23ste verjaardag en in de periode van zijn 28ste verjaardag t/m zijn 33ste verjaardag. In de periode tussen zijn 23ste en 28ste verjaardag kan een jongere geen jonggehandicapte worden, ook niet als vanaf een datum binnen die periode het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam wordt geacht.

10. Het betekent ook dat een jongere ná zijn 33ste verjaardag géén jonggehandicapte meer kan worden, althans niet op grond van een ziekte of gebrek waaruit hij op zijn 18de verjaardag beperkingen ondervindt.

Duurzaamheid na 10 jaar ontbreken van arbeidsvermogen: van rechtswege aangenomen

11. Volgens de memorie van toelichting wordt na 10 jaar onafgebroken ontbreken van arbeidsvermogen “aangenomen dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam ontbreken. UWV hoeft de duurzaamheid na tien jaar niet te onderzoeken (...). Voor het vaststellen van de duurzaamheid wordt dus uitgegaan van een fictie (cursivering EvdB)”.2

12. Anders gezegd: na 10 jaar onafgebroken ontbreken van arbeidsvermogen wordt de duurzaamheid van rechtswege aangenomen en speelt de vraag of er nog behandelmogelijkheden zijn geen rol meer.

13. Dit wordt bevestigd in de werkwijzer Laattijdige aanvragen Wajong, waarin het UWV schrijft “dat we de duurzaamheid niet meer hoeven te beoordelen als het arbeidsvermogen langer dan tien jaar ontbreekt (cursivering EvdB)”.3

Aaneengesloten ontbreken van arbeidsvermogen

14. Volgens de memorie van toelichting hoeft het UWV “de duurzaamheid na tien jaar niet te onderzoeken, maar moet (hij) wel nagaan of betrokkene in die tien jaar arbeidsvermogen heeft gehad, bijvoorbeeld door te kijken of hij gewerkt heeft (cursivering EvdB)”.4

15. In de artikelsgewijze toelichting wordt nog benadrukt dat het gaat om een aaneengesloten periode van 10 jaar:

“Naast de hoofdregel die in het eerste lid is opgenomen, is in het derde lid geregeld dat de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft alsnog aangemerkt kan worden als jonggehandicapte. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:

  1. De ingezetene wordt niet aangemerkt als jonggehandicapte op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, uitsluitend omdat hij tijdelijk in plaats van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; en

  2. De periode van tien jaar sluit direct aan op de dag waarop de ingezetene op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, jonggehandicapte zou zijn geworden als het ontbreken van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wel duurzaam zouden zijn geweest (cursivering EvdB)”.5

16. Naar aanleiding van de vraag “hoe en door wie wordt gemeten of een arbeidsgehandicapte de afgelopen tien jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft gehad” wordt in de nota naar aanleiding van het verslag opgemerkt:

“In het geval dat iemand op zijn achttiende, tijdens studie of binnen vijf jaar daarna, geen arbeidsmogelijkheden heeft, waarbij geen sprake is van een duurzame situatie, kan hij alsnog worden aangemerkt als jonggehandicapte, indien hij tien jaar achter elkaar geen mogelijkheden tot werken heeft. UWV gaat na of iemand in die tien jaar arbeidsvermogen heeft gehad, bijvoorbeeld door te kijken of hij gedurende die tien jaar gewerkt heeft”.6

17. Verder heeft de staatssecretaris van SZW in het kader van de evaluatie van de Participatiewet geschreven:

“Bij wet is vastgelegd dat voor mensen, bij wie tijdelijk geen arbeidsvermogen is vastgesteld en in 10 jaar tijd geen ontwikkelingen hebben laten zien, de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen wordt aangenomen (Wajong art. 1a:1, lid 3)” (cursivering EvdB).7

18. Dat geeft ons twee aanknopingspunten:

  1. Heeft de betrokkene in de 10 jaar na het verlies van arbeidsvermogen gewerkt?

  2. Welke ontwikkelingen hebben in die 10 jaar plaatsgevonden?

Parallel met laattijdige aanvraag

19. Bij de beoordeling van de vraag of de betrokkene 10 jaar aaneengesloten geen arbeidsvermogen heeft gehad, moet het UWV 10 jaar terugkijken in het verleden. Dat kennen we ergens van, namelijk van de laattijdige aanvragen. En bij laattijdige aanvragen is het vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat door tijdsverloop het medische beeld steeds moeilijker is vast te stellen, voor risico van de late aanvrager komt.8

20. Een op of kort na de 28ste verjaardag gedane aanvraag om toepassing van art. 1a:1 lid 3 Wajong is op zich echter geen laattijdige aanvraag, maar heeft daar wel veel van weg. Immers, er moet allereerst worden beoordeeld of op de 18de verjaardag, dus 10 jaar geleden, sprake was van het als gevolg van ziekte of gebrek ontbreken van arbeidsvermogen.

21. Bij een ‘echte’ laattijdige aanvraag (waarbij de betrokkene stelt al vanaf zijn 18de verjaardag duurzaam geen arbeidsvermogen te hebben) komen de uit het tijdverloop voortvloeiende bewijsproblemen voor diens eigen rekening. Dat is ook redelijk, omdat hij die problemen had kunnen voorkomen door tijdig aan te vragen.

22. Maar als de betrokkene in de periode tussen zijn 18de en 23ste verjaardag nog niet in staat was om te berusten in de mogelijkheid dat hij nooit arbeidsvermogen zou kunnen ontwikkelen en om die reden geen Wajong heeft aangevraagd en daardoor ook niet eerder bij het UWV in beeld is gekomen, dan is geen sprake van een laattijdige aanvraag in strikte zin, aangezien die aanvraag niet eerder gedaan kon worden. En hoe redelijk is het dan om dat tijdverloop aan hem tegen te werpen?

23. Een eerdere aanvraag had nergens toe kunnen leiden, omdat hij zelf van mening was dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was en een verzekeringsarts hem dan vooral zal hebben willen stimuleren om door te gaan met het werken aan zijn ontwikkeling. Het tegenwerpen dat hij heeft afgezien van het indienen van een aanvraag waar hij zelf niet achter zou hebben gestaan en die bovendien op voorhand kansloos was, lijkt mij niet alleen onredelijk, maar ook buitengewoon unfair.

Geen beleid

24. Maar dat laat onverlet dat het UWV wel een 10 jaar retrospectieve beoordeling moet verrichten.

Of het UWV inmiddels enig beleid heeft ontwikkeld hoe hiermee om te gaan, is mij niet bekend. In het Compendium Participatiewet en in het daarbij behorende beoordelingskader ‘Duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen’ is daarover in elk geval niets te lezen.

En in het op 27 oktober 2022 openbaar gemaakte ‘Handboek Wetsuitleg Wajong’ is in de paragraaf “Later als jonggehandicapte worden aangemerkt” onder het kopje “na 10 jaar” te lezen: “[Deze bepaling wordt nog nader uitgewerkt]”.9 Die uitwerking heb ik echter nog niet gezien.

25. Het enige concrete dat ik heb kunnen vinden, zijn de voorbeelden op p. 10 van de werkwijzer Laattijdige aanvragen Wajong, waarvan voorbeeld 1 wel enige gelijkenis vertoont met de onderhavige casus:

“Voorbeeld 1 (sic)

Een 30-jarige burger heeft op het moment van aanvraag geen arbeidsvermogen. Er is een relatie met ziekte op de 18e verjaardag. Hij heeft van zijn 26e tot zijn 28e gewerkt. Na onderzoek blijkt dat de burger toen arbeidsvermogen had. De start van de onafgebroken periode zonder arbeidsvermogen ligt buiten de vijfjaarstermijn. Zelfs al zou al zou deze burger op zijn 18e verjaardag geen arbeidsvermogen hebben, het is duidelijk dat dat geen blijvende situatie was. Daarom kan hij geen recht hebben op Wajong”.

26. Maar nu na 10 jaar Wajong 2015 kan worden verwacht dat de 10-jaarstermijn aan relevantie gaat winnen, zou een verdere uitwerking daarvan wel fijn zijn.

Arbeidsverleden

27. Bij deze stand van zaken is de benadering die het UWV in de hier opgenomen uitspraak heeft gekozen, wel voor de hand liggend: heeft appellante na haar 18de verjaardag enig arbeidsverleden opgebouwd?

28. Appellantes casus (waarover hierna vanaf punt 31 meer) lijkt op het hiervoor in punt 25 genoemde voorbeeld. Haar casus verschilt echter met dit voorbeeld in die zin dat in het voorbeeld de periode van werken is gelegen vóór de 28ste verjaardag, dus binnen de 10-jaarstermijn, en appellantes werkzaamheden in de jaren 2015 en 2016 zijn gelegen ná haar 28ste verjaardag en daarmee ook ná de 10-jaarstermijn.

29. Maar wat in het voorbeeld opvalt, is de zin “Na onderzoek blijkt dat de burger toen arbeidsvermogen had”. Uit die zin volgt immers dat de conclusie dat de burger “toen arbeidsvermogen had” alleen kan worden getrokken “na onderzoek”. En dat impliceert dat het enkele feit dat hij heeft gewerkt, niet voldoende is om te stellen dat hij arbeidsvermogen heeft gehad.

30. Dat lijkt mij terecht. Daarvoor is ook informatie nodig over (bijvoorbeeld):

  • de aard en inhoud van dat werk;

  • de omstandigheden waarin en waaronder dat is verricht;

  • de vraag of aan dat werk een reële loonwaarde kan worden verbonden (wat niet hetzelfde is als het loon dat feitelijk is betaald);

  • hoelang dat werk is verricht;

  • het functioneren van de betrokkene;

  • de eventuele gevolgen die dat werk heeft gehad op de gezondheid (de aanwezigheid van arbeidsvermogen kan niet worden gebaseerd op werk dat tot schade aan de gezondheid is verricht).

De casus

31. Het wordt tijd om de casus eens wat dieper te gaan bekijken.

32. Appellante vraagt op 12 maart 2019 een Wajong-uitkering aan, waarbij zij vermeldt dat zij kampt met een verwaarloosde PTSS, straatvrees en ADHD. Zij is dan ruim 35 jaar oud, zodat deze aanvraag ten opzichte van haar 18de verjaardag ruim 17 jaar laattijdig is.

Zowel op haar 18de verjaardag als op de datum van de aanvraag beschikte appellante niet over arbeidsvermogen, zodat de zaak draait om de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

33. Het UWV wijst de aanvraag af, omdat het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van de aanvraag niet duurzaam is.

34. De rechtbank stelt in een tussenuitspraak dat dit besluit onzorgvuldig is, omdat het UWV niet heeft onderzocht of het arbeidsvermogen van appellante in de tien jaar na haar 18de verjaardag onafgebroken heeft ontbroken.

35. In r.o. 3 schrijft de CRvB dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in reactie hierop in een rapport van 27 juni 2022 heeft gesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van de aanvraag, 12 maart 2019, niet duurzaam is, omdat appellante in 2015 en 2016 in loondienst heeft gewerkt.

Drogreden: werk in 2015 en 2016 zegt niets over de duurzaamheid op 12 maart 2019

36. Het standpunt “dat het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van de aanvraag, 12 maart 2019, niet duurzaam is omdat appellante in 2015 en 2016 in loondienst heeft gewerkt” is een drogreden die bekend staat als ‘non sequitur’ (‘dat volgt er niet uit’). Immers, het feit dat appellante in 2015 en 2016 heeft gewerkt, zegt niets over het op 12 maart 2019 bestaan van behandelmogelijkheden noch over de daarvan te verwachten effecten op de belastbaarheid en dus ook niets over de duurzaamheid van het op die datum ontbreken van arbeidsvermogen.

37. Er volgt niet meer uit dan dat zij in 2015 en 2016 gedurende enige tijd heeft gewerkt en toen waarschijnlijk ook arbeidsvermogen heeft gehad. Maar aangezien ook is vastgesteld dat zij op de datum van haar aanvraag op 12 maart 2019 géén arbeidsvermogen heeft, heeft zij dat arbeidsvermogen in de loop van 2016 of daarna kennelijk weer verloren. Hoe uit het feit dat zij in 2015 en 2016 heeft gewerkt volgt dat zij in 2019 opnieuw arbeidsvermogen kan ontwikkelen (“omdat”), ontgaat mij.

De casus (vervolg)

38. In r.o. 4 schrijft de CRvB dat de rechtbank in haar einduitspraak tot het oordeel is gekomen dat het UWV de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen, omdat

“uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juni 2022 volgt dat appellante in de periode van tien jaar na haar achttiende verjaardag in juli 2003 drie SV-dagen heeft gewerkt bij de Stichting [naam] in [plaatsnaam] en in 2005 22 SV-dagen heeft gewerkt bij [naam 2] B.V. Gegevens over de omvang en de aard van de werkzaamheden zijn niet meer voorhanden. De rechtbank heeft overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na een onderzoek in de eigen systemen, voldoende heeft gemotiveerd dat het aannemelijk is dat appellante in de periode van tien jaar na haar achttiende verjaardag over arbeidsvermogen beschikte (cursivering EvdB)”.

39. Wat mij hierbij opvalt, is dat het eindoordeel van de rechtbank zoals weergegeven in r.o. 4 op geen enkele manier aansluit bij de reactie van het UWV op de tussenuitspraak zoals weergegeven in r.o. 3 en iedere logische samenhang daartussen ontbreekt: het UWV baseert het op 12 maart 2019 ontbreken van duurzaamheid op de in 2015 en 2016 verrichtte werkzaamheden zonder dat de werkzaamheden uit 2003 en 2005 worden genoemd, terwijl de rechtbank alleen ingaat op de werkzaamheden uit 2003 en 2005 en die uit 2015 en 2016 überhaupt niet noemt. Dat vraagt om kennisneming van de uitspraak van de rechtbank.

Discrepantie tussen weergave rapportage arbeidsdeskundige door CRvB en rechtbank

40. Gelukkig (en anders dan in veel andere zaken) is de einduitspraak van de rechtbank dit keer wel gepubliceerd op rechtspraak.nl en wel onder nummer ECLI:NL:RBZWB:2022:7105. Dat is een gelukkige omstandigheid, want vergelijking van beide uitspraken laat zowel een discrepantie zien tussen de weergave van de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juni 2022 door de CRvB en de weergave daarvan door de rechtbank, als een duidelijk verschil in benadering van de zaak als zodanig. Om die reden is deze uitspraak hierna opgenomen onder USZ 2025/79.

41. Waar de CRvB in r.o. 3 weergeeft dat volgens het UWV het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van de aanvraag in 2019 niet duurzaam is omdat appellante in 2015 en 2016 in loondienst heeft gewerkt, worden in de uitspraak van de rechtbank de jaren 2015 en 2016 überhaupt niet genoemd, laat staan dat appellante in die jaren heeft gewerkt.

Met betrekking tot de na de 18de verjaardag verrichte werkzaamheden noemt de rechtbank uitsluitend dat uit de systemen van het UWV (Suwinet) blijkt dat appellante van 1 tot 10 juli 2003 gedurende 3 SV-dagen heeft gewerkt en in 2005 gedurende 22 SV-dagen.

42. Kennelijk vond de rechtbank het feit dat in 2015 en 2016 ook is gewerkt, voor de beoordeling niet relevant, terwijl de CRvB daar blijkens r.o. 3 wel betekenis aan hecht.

Verschil in benadering

43. Het verschil in benadering is dat voor de rechtbank beslissend is dat appellante binnen de 10-jaarstermijn heeft gewerkt, waardoor haar arbeidsvermogen niet 10 jaar aaneengesloten heeft ontbroken, terwijl de CRvB beslissende betekenis hecht aan het feit dat uit de bij de aanvraag gevoegde informatie van de behandelend sector blijkt dat er nog behandelmogelijkheden worden gezien, zodat het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum van de aanvraag niet duurzaam kan worden geacht.

Behandelmogelijkheden na afloop van de 10-jaarstermijn: niet relevant of toch wel?

44. Zoals hiervoor in punt 8-10 uiteengezet kan een jongere die op zijn 18de verjaardag beperkingen ondervindt uitsluitend jonggehandicapte worden in de periode van zijn 18de t/m 23ste verjaardag en in de periode van zijn 28ste t/m 33ste verjaardag.

In de periode tussen zijn 23ste en 28ste verjaardag kan een jongere geen jonggehandicapte worden, ook niet als vanaf een datum binnen die periode het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam wordt geacht.

En evenmin kan een jongere ná zijn 33ste verjaardag nog jonggehandicapte worden, ook niet als na die datum het ontbreken van arbeidsvermogen alsnog duurzaam wordt geacht.

45. Vanuit deze systematiek kan ik de door de CRvB gevolgde benadering (duurzaamheid ten tijde van de aanvraag) niet goed plaatsen. Immers, zoals blijkt uit r.o. 3 van de rechtbank is appellante op 15 juli 2001 18 jaar geworden, zodat zij ten tijde van de aanvraag van 12 maart 2019 35 jaar oud was en op die datum alleen al daardoor geen jonggehandicapte meer kon worden. Ook niet als zij in de 10 jaar voorafgaande aan haar aanvraag onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad (de periode van ontbreken van arbeidsvermogen moet immers aanvangen op een datum tussen haar 18de en 23ste verjaardag en 10 jaar voor haar aanvraag was zij 25 jaar).

46. Daar komt bij dat als appellante in 2015 en 2016 arbeidsvermogen heeft gehad en dat ten tijde van haar aanvraag van 12 maart 2019 niet meer heeft, zij haar arbeidsvermogen ergens in 2016 of later heeft verloren. Dat is na het einde van de voor haar geldende Amber-termijn, zodat zij ten tijde van het verlies van arbeidsvermogen niet meer voor de Wajong verzekerd was.

47. En als het verlies van arbeidsvermogen optreedt buiten de verzekerde periode, dan is de vraag of dat verlies duurzaam is, niet relevant.

Voorwaarden voor recht op Wajong op de ingangsdatum

48. Wat ik in de uitspraak lees, is dat de CRvB als eerste heeft willen vaststellen of appellante op de mogelijke ingangsdatum van een Wajong-uitkering (dat wil zeggen: op de datum van haar aanvraag) voldoet aan de voorwaarden voor het ontvangen van deze uitkering (immers, als niet aan die voorwaarden is voldaan, kan er ook geen recht bestaan en zou een eventueel eerder toegekende uitkering moeten worden ingetrokken).

Verder lees ik de uitspraak zo dat hij die voorwaarden heeft opgevat in die zin dat appellante op die ingangsdatum duurzaam geen arbeidsvermogen moet hebben. Volgens mij is dat echter niet juist.

49. Op grond van art. 1a:2 lid 1 Wajong zijn er twee voorwaarden voor het ontstaan van het recht op uitkering:

a. het zijn van jonggehandicapte;

b. geen uitsluitingsgrond.

50. Zoals hiervoor in punt 8-10 uiteengezet, moet de betrokkene, om als jonggehandicapte te kunnen worden aangemerkt, tussen zijn 18de en 23ste verjaardag duurzaam geen arbeidsvermogen hebben of vanaf een datum die binnen die periode is gelegen, gedurende 10 jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen hebben gehad.

51. Om binnen die eerste periode als jonggehandicapte te kunnen worden aangemerkt, is een afzonderlijke beoordeling van de duurzaamheid noodzakelijk.

52. Als het arbeidsvermogen echter 10 jaar aaneengesloten heeft ontbroken, speelt de duurzaamheid geen rol meer, maar wordt de betrokkene op grond van het derde lid van art. 1a:1 na ommekomst van die 10 jaar van rechtswege jonggehandicapte. Zie ook r.o. 6.5 van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag 6 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14758:

“Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank nog wel op het slot van de rapportage van de verzekeringsarts b&b, waarin deze vooruitkijkt naar het jaar 2017. Als over een jaar de nieuwe therapie en aandacht voor bijkomende factoren nog niet heeft geleid tot arbeidsvermogen, dan zal een eventuele nieuwe aanvraag moeten worden beoordeeld met voorbijgaan aan de prognose (cursivering EvdB)”.

53. Aangezien in het derde lid de duurzaamheid geen ontstaansvoorwaarde voor het worden van jonggehandicapte is, wordt de betrokkene na 10 jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen te hebben gehad ook jonggehandicapte als er nog wel behandelmogelijkheden zijn. Het enkele voltooien van de 10-jaarstermijn is daarvoor voldoende zonder dat het eventuele bestaan van behandelmogelijkheden daaraan in de weg staat.

54. Dat is ook in lijn met art. 1a:9 onder a Wajong, dat bepaalt dat het recht op uitkering eindigt “wanneer de jonggehandicapte mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1 heeft (cursivering EvdB)”. In deze bepaling is niet opgenomen dat het recht eindigt als de jonggehandicapte niet langer duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Alleen het ontstaan van arbeidsvermogen leidt tot eindiging van het recht.

55. Dat betekent dat als tijdens de looptijd van de Wajong nieuwe medische inzichten ontstaan, waardoor nieuwe behandelmogelijkheden beschikbaar komen, het ontbreken van arbeidsvermogen mogelijk niet langer duurzaam zou kunnen worden geacht. Maar het wegvallen van de duurzaamheid leidt dan niet tot het eindigen van het recht op uitkering. Dat is alleen het geval als de betrokkene ook daadwerkelijk arbeidsvermogen heeft ontwikkeld.

56. Dit alles overziende had het ten tijde van de aanvraag bestaan van behandelmogelijkheden en daarmee het ontbreken van duurzaamheid niet aan toekenning van Wajong in de weg kunnen staan en is het mij niet duidelijk waarom de CRvB de zaak juist wel op die duurzaamheid heeft laten scharnieren. Naar mijn overtuiging heeft de rechtbank dan ook terecht onderzocht of appellante vanaf haar 18de verjaardag gedurende 10 jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad en op grond daarvan als jonggehandicapte kon worden aangemerkt.

Beoordeling 10-jaarstermijn door rechtbank

57. Voor de invulling van de 10-jaarstermijn is vooral de uitspraak van de rechtbank van belang. Ik citeer r.o. 4 van die uitspraak (cursivering EvdB):

“De arbeidsdeskundige b&b heeft gereageerd op de tussenuitspraak. Zij heeft gerapporteerd dat eiseres in de periode van 1 juli 2003 tot 10 juli 2003 (3 SV-dagen) heeft gewerkt bij de Stichting [naam stichting] in Breda en in 2005 gedurende 22 dagen (22 SV-dagen) bij [naam]. De aard van de werkzaamheden, het aantal gewerkte of verloonde uren en de wijze van functioneren zijn echter niet bekend. Stichting [naam stichting] in Breda vernietigt namelijk alle gegevens van voormalige werknemers na 7 jaar. Over [naam] is onvoldoende informatie bekend, waardoor geen navraag gedaan kon worden. Het UWV stelt zich op het standpunt dat thans niet meer kan worden vastgesteld of eiseres vanaf haar 18e verjaardag gedurende 10 jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad. Dit komt volgens het UWV voor rekening en risico van eiseres, omdat het een laattijdige aanvraag betreft”.

58. Blijkens r.o. 5 heeft appellante met betrekking tot de werkzaamheden in 2003 uitgelegd dat ze “heeft meegelopen bij Stichting [naam stichting], maar dat dit gedurende slechts één dag enkele uren is geweest en dus niet drie SV-dagen”.

Met betrekking tot de werkzaamheden in 2005 stelt zij “nimmer bij [naam] te hebben gewerkt en dus ook niet 22 dagen in 2005. Mogelijk is er bij verwerking van de gezamenlijk (met haar toenmalige partner) ingediende aangifte inkomstenbelasting voor dat jaar een en ander foutief ingevuld of door de Belastingdienst foutief geregistreerd”.

Tot slot voert zij aan dat 3 SV-dagen, en zelfs 25 (3 + 22) SV-dagen, over een periode van 10 jaar in redelijkheid niet als arbeidsparticipatie kunnen worden aangemerkt.

59. De rechtbank oordeelt in r.o. 10 echter dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met het resultaat van het onderzoek in de eigen systemen “voldoende gemotiveerd (heeft) uiteengezet dat het aannemelijk is dat eiseres in bepaalde perioden binnen de tien jaar na haar 18e verjaardag over arbeidsvermogen beschikte” en dat “(d)e enkele stelling van eiseres dat hiervan geen sprake is, (niet) kan (...) worden gevolgd, omdat zij deze niet met stukken heeft onderbouwd”.

Waaraan de rechtbank nog toevoegt dat zij “de moeilijke bewijsrechtelijke positie waarin eiseres verkeert (begrijpt), maar (dat) (...) deze vanwege de laattijdige aanvraag voor haar rekening en risico (komt)” om in r.o. 11 tot de conclusie te komen dat “(n)u niet kan worden vastgesteld dat het ontbreken van het arbeidsvermogen van eiseres vanaf haar 18e verjaardag tien jaar onafgebroken heeft voortgeduurd, (...) eiseres aan het bepaalde in artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong geen aanspraken (kan) ontlenen (cursivering EvdB)”.

Conclusie: de bewijslast ligt bij de aanvrager, het UWV mag volstaan met een verwijzing naar Suwinet

60. Ik vind het opmerkelijk dat de rechtbank een ‘arbeidsverleden’ van 3 SV-dagen en 22 SV-dagen toereikend vindt om het bestaan van arbeidsvermogen op te baseren. Te meer omdat appellante stelt dat die 3 SV-dagen eigenlijk maar 1 dag is geweest en zij op die dag geen arbeid heeft verricht, maar is meegelopen en die 22 SV-dagen berusten op een registratiefout. Dat lijken mij zaken die voldoende concreet zijn om nader onderzoek te rechtvaardigen en in elk geval appellante in de gelegenheid te stellen daarvoor aanvullend bewijs te leveren, zo nodig door toepassing van een ‘burgerlus’ (dat wil zeggen: behandeling ter zitting schorsen en appellante een duidelijke bewijsopdracht meegeven).

61. Op zich blijkt uit de uitspraak wel dat volgens de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de aard van de werkzaamheden, het aantal gewerkte of verloonde uren en de wijze van functioneren, gezien het tijdsverloop, niet meer zijn te achterhalen, maar of de rechtbank aan appellante heeft duidelijk gemaakt met wat voor bewijs zij nog zou moeten komen en haar daartoe ook expliciet in de gelegenheid heeft gesteld, blijkt er niet uit.

62. Verder vind ik appellantes argument dat 25 SV-dagen in 10 jaar tijd wel erg weinig is om het hebben van arbeidsvermogen op te baseren, op zich niet onredelijk. Ik vind het dan ook jammer dat de rechtbank niet de moeite heeft genomen om uit te leggen waarom zij tot het oordeel is gekomen dat uit het geregistreerd zijn van SV-dagen volgt dat appellante op die dagen arbeidsvermogen heeft gehad.

63. Als ik de vergelijking maak met de uitspraak van de CRvB van 20 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2891, waarin in r.o. 4.3 wordt overwogen dat

“(u)it de gegevens van Suwinet blijkt van een substantieel arbeidsverleden van appellante in de jaren 2006 (223 sv-dagen), 2007 (70 sv dagen), 2009 (190 sv-dagen) en 2010 (147 sv-dagen)”

en de CRvB tot het oordeel komt dat

“(d)e verklaring van appellante ter zitting dat zij veel minder dagen heeft gewerkt dan is vermeld in Suwinet, dat zij geen loon ontving en dat zij eigenlijk niet tot werken in staat was, (...) door appellante niet (is) onderbouwd en ook anderszins, gezien het grote aantal sv-dagen en de door de arbeidsdeskundige bij uitzendbureau Actief Werkt verkregen informatie, niet aannemelijk (is)”,

dan is 25 SV-dagen inderdaad een wel heel smalle basis om te zeggen dat appellante niet onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad.

64. Maar wat deze uitspraken in elk geval wel duidelijk maken, is dit:

  1. Een direct na ommekomst van de 10-jaarstermijn van art. 1a:1 lid 3 Wajong ingediende aanvraag is tegelijkertijd een tijdige aanvraag (want kan nu eenmaal niet vóór het einde van die termijn worden gedaan) en een laattijdige aanvraag (er moet 10 jaar in het verleden worden gekeken). Voor de verdeling van de bewijsvoeringslast wordt deze echter behandeld als een laattijdige aanvraag in engere zin: die ligt bij de aanvrager.

  2. Het in Suwinet geregistreerd zijn van SV-dagen is voldoende om het aaneengesloten ontbreken van arbeidsvermogen te doorbreken. De bewijsvoeringslast om te onderbouwen dat uit die registratie niet kan worden afgeleid dat er arbeidsvermogen was, ligt bij de aanvrager.

65. Dat een op zich tijdige aanvraag wordt behandeld als een 10 jarig laattijdige aanvraag lijkt mij een extra argument om niet alleen in de Wet WIA maar ook in de Wajong het duurzaamheidscriterium af te schaffen. Waarmee we weer terug zijn bij punt 2.

E. van den Bogaard

Ed van den Bogaard is advocaat bij Westhoff Advocaten te Amsterdam, voorzitter van de Adviescommissie bestuursrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en bestuurslid van de Specialisatievereniging Sociaal Zekerheidsrechtadvocaten SSZ